2017-13_12_MMMV_De terugkeer (Medium)In juni krijgt ‘De terugkeer van de Heilige Familie uit Egypte’ van Peter Paul Rubens, na een zwerftocht van bijna 250 jaar, opnieuw de oorspronkelijke plek in de Sint-Carolus Borromeuskerk. Jammer dat de terugkeer van de altaarstukken van Rubens, Van Dyck en Jordaens naar de Sint-Augustinuskerk niet doorgaat.

De terugkeer keert terug

In 1620 bestelde de Antwerpse Jezuïetenkerk, nu Sint-Carolus Borromeuskerk, bij Rubens maar liefst 43 schilderijen. Eén ervan is ‘De terugkeer van de Heilige Familie uit Egypte’. Het werd betaald door burgemeester Nicolaas Rockox en kreeg een plaats in de Sint-Jozefkapel. Op het altaarstuk (zie afbeelding) brengt Rubens een nieuwe devotie van de jezuïetenorde in beeld, de ‘jezuïtische Drievuldigheid’: Jezus-Maria-Jozef.

‘De terugkeer uit Egypte’ liep zware schade op bij de brand die in 1718 een groot deel van de kerk vernielde. Na de opheffing van de jezuïetenorde werd het schilderij in 1777 in Antwerpen, in 1829 in Brussel en in 1830 in Londen geveild. In 1871 werd het aangekocht door het Metropolitan Museum in New York. In 1980 ging het onder de hamer bij Christie’s. In 2011 volgde een nieuwe veiling en wist de kerkfabriek van de Carolus Borromeus het op de kop te tikken. Dat deze Rubens niet door een privéverzamelaar werd gekocht, heeft allicht te maken met de slechte toestand van het werk. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom het Metropolitan Museum het eerder al van de hand deed.

Het wetenschappelijk team van het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) heeft het schilderij grondig bestudeerd en onderzocht. Het KIK moest vaststellen dat het werk van het oorspronkelijke eikenhouten paneel is getransponeerd naar een doek, dat de verflaag ernstige schade en slijtage vertoonde en dat het verregaand was overschilderd. In april 2014 startte het KIK met de restauratie, gefinancierd door de kerkfabriek en het Fonds InBev-Baillet Latour, uitgevoerd in samenwerking met het Rubenshuis. ‘De terugkeer van de Heilige Familie uit Egypte’ is de eerste Rubens die opnieuw in de Carolus Borromeus zal hangen.

Fabre versus Rubens, Van Dyck en Jordaens

Het blijft een bijzondere beleving: een kunstwerk kunnen bewonderen op de oorspronkelijke plek. Musea doen wel aardig hun best om werken optimaal te presenteren, maar de context moeten we missen. De grootmeesters van toen hielden rekening met de plaats waarvoor hun kunstwerk bedoeld was. Kijk naar De Heilige Martinus van Antoon van Dyck in de Sint-Martinuskerk van Zaventem. Men situeert het werk tijdens de jaren van Van Dycks opleiding bij Rubens. Van Dyck baseerde zich voor zijn compositie op een ontwerp van Rubens, dat hij compacter maakte en van links naar rechts keerde om het beter te laten passen bij de lichtinval in de kerk. Deze originele Van Dyck hangt, na vele oorlogen en andere bedreigingen, nog altijd in de kerk en op de plaats waarvoor de meester het tafereel schilderde. Prachtig is dat.

Daarom is het zo jammer dat de drie beroemde altaarstukken van Rubens, Van Dyck en Jordaens niet terugkeren naar de Sint-Augustinuskerk in Antwerpen. Dat was nochtans aangekondigd als blikvanger van het stadsfestival Antwerp Baroque 2018, dat volgend jaar 700.000 bezoekers wil lokken. Topstukken van de tenoren van de barokschilderkunst op hun oorspronkelijke plek: vele kunststeden zouden jaloers zijn op een cultuurhistorische parel van dat kaliber. Maar in Antwerpen gaat het niet door. Na de ontwijding van de Sint-Augustinuskerk in 1974 verhuisden de altaarstukken naar het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. En daar blijven ze. Het museum haalt “technische en klimatologische redenen” aan. Het gaat inderdaad om kolossale schilderijen die nu weggeborgen zijn om geen schade op te lopen tijdens de verbouwingswerken in het museum. En het is niet altijd eenvoudig in een kerk de juiste klimatologische omstandigheden te garanderen. Dat het wel kan, bewijst het ‘Lam Gods’ (toch ook een zeer groot werk), dat straks in volle glorie in de Sint-Baafskathedraal zal te zien zijn. “Het KMSKA wil de drie altaarstukken niet in bruikleen geven aan de stad,” lezen we in de pers. Dat is bizar, want de werken zijn eigendom van de stad en het is het museum dat ze in bruikleen heeft. Bovendien is het KMSKA een museum van de Vlaamse overheid. Dus, als Antwerpen en Vlaanderen het echt willen, kan de Sint-Augustinuskerk een iconisch oord worden, de enige kerk in de wereld waar de grote drie van de barok naast elkaar kunnen schitteren op hun originele plek. Misschien lukt dat niet tegen 2018, maar laat ze er alleszins werk van maken. Want wat is het alternatief? Het programma van Antwerp Baroque 2018 meldt dat de leemte die ontstaat door het niet terugkeren van de altaarstukken zal worden ingevuld door nieuw werk van (nog maar eens) Jan Fabre.

MMMV