Op 9 april wordt de kasseiklassieker Parijs-Roubaix gereden en neemt Tom Boonen afscheid van het peloton. Niet alleen daardoor eindigt dan de zoveelste periode van een wegseizoen waarin de Belgen alsnog enige rol van betekenis kunnen spelen. Want ook Luik-Bastenaken-Luik, de daaropvolgende oudste klassieker op de internationale kalender, is al even geen spek meer voor de Belgische wielrennersbek.

Zes jaar is het geleden dat een landgenoot “La Doyenne” won, Philippe Gilbert. We moeten al teruggaan tot 1999 om de naam van de betreurde Frank Vandenbroucke aan de top van de erelijst aan te treffen. Het is twijfelachtig of op zondag 23 april Gilbert een opvolger zal krijgen. Tenzij, in een heel goede dag, misschien, hijzelf. De tijd dat een buitenlander het klaarspeelde om in het klassieke voorjaar een Belgische winstreeks te onderbreken, ligt al lang achter ons. Nu vandaag een landgenoot een reeks buitenlandse successen onderbrak, bezingen de media dat in collectieve overdrive. Als bewijs een flard uit de literaire (?) roes waarin columnist Hugo Camps zichzelf in Het Laatste Nieuws onderdompelde na de weliswaar zeer verdienstelijke zege van Quick Step-renner Yves Lampaert in Dwars door Vlaanderen: “Eigen grond, vertrouwde wind, antieke kasseien brachten Quick.Step dicht bij het patriottische delirium. Wat een overmacht, wat een trots. De Paterberg, de Taaienberg en de Berendries waren geen hobbels meer maar altaren voor een mis met drie Heren”. Wie het nog gekker kan verzinnen, mag het zeggen. Dwars door Vlaanderen en de E3 Prijs en zelfs Gent-Wevelgem, beide door Greg van Aevermaet gewonnen, blijven, nuchter bekeken, vooral voorjaarskoersen in de schaduw van en de aanloop naar de legendarische klassiekers Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix. Hopelijk heeft Van Aevermaet door zijn dubbelzege niet zozeer met zijn krachten gewoekerd dat hij straks de Ronde verliest. Zondag weten we het. Intussen trachten we begrip op te brengen voor hilariteit opwekkende beeldspraak die de illusie levend wil houden dat Belgenland een wielergrootmacht blijft. Quod non, zoals opnieuw zal blijken als in mei het rondewerk begint en het vergeefs uitkijken wordt naar een landgenoot die meer wil en/of kan dan proberen een rit te winnen.

Het licht gezien

De Pro League wil vanaf volgend seizoen een financiële bonus van een miljoen euro verdelen onder de vijf eersteklassers die in België opgeleid talent het vaakst in hun eerste elftal droppen. Het is niets te vroeg dat men in het Belgische profvoetbal eindelijk het licht heeft zien schijnen en een halt wil toeroepen aan het doorzagen van de tak waar de clubs zelf op zitten. Kranten blokletterden terecht dat het bonusinitiatief, naar een idee van het bestuur van Club Brugge, een geschenk uit de hemel is voor clubs die eigen jeugd meer kans, lees speelminuten, willen geven. Uit een test van Het Laatste Nieuws blijkt dat tijdens de voorbije reguliere competitie van de zestien eersteklassers alleen Westerlo meer speelminuten aan Belgen dan aan buitenlanders schonk. Een feit dat als even alarmerend als hallucinant dient gecatalogeerd. Van de “grote vijf” raakte enkel Club Brugge in het rijtje van vijf met uitzicht op een bonus, al eisten buitenlanders er samen 17.356 speelminuten op tegenover 12.398 voor Belgen. De erbarmelijkste leerling van de klas is het straks in play-off 1 actieve Sporting Charleroi waar men amper 3.315 speelminuten aan Belgen gaf en liefst 26.179 (!) aan buitenlanders. Of men het bonusvoorstel moet goedkeuren en stante pede in praktijk omzetten, is geen vraag. Het is een dwingende eis. Misschien doet men er bij de wielerbond goed aan zich eraan te spiegelen en bonussen te beloven aan gevestigde wielerscholen die bereid zijn naar nieuw talent voor rondewerk te zoeken én dat navenant op te leiden.