Op 2 maart overleed de voormalige Luikse PS-burgemeester Edouard Close, 87 jaar oud. Meer nog dan de huidige generatie met Stéphane Moreau, Alain Mathot en André Gilles was hij één van de vaders van de Luikse graaicultuur.

De nepvergaderingen bij Publifin vergoed met hoge emolumenten. De exorbitante managementverloning van intercommunale-topman Stéphane Moreau (Nethys). Luiks provincieraadsvoorzitter en Nethys-voorzitter André Gilles (PS) die ziekte aanwendt om niet te moeten verschijnen voor een commissie in het Waals Parlement. Recentelijk de dochter van Waals minister Jean-Claude Marcourt die in vol Publifin-schandaal aan de slag zou zijn gegaan bij Nethys. De Luikse PS zit al weken in een schandaal verwikkeld en lijkt daar maar geen lessen uit te trekken.

De ‘grote vijf’ van de Luikse PS, burgemeester Willy Demeyer, Kamerlid Alain Mathot, Jean-Claude Marcourt, Stéphane Moreau en André Gilles, zijn de perfecte erfgenamen van de vorige week overleden oud-burgemeester Edouard Close (1929-2017). Hij was, samen met peetvader André Cools, de architect van de lokale graaicultuur bij de Luikse PS. Close werd in 1992 veroordeeld tot 28 maanden cel met uitstel voor corruptie. Close kreeg 1 miljoen Belgische frank smeergeld voor het toekennen van het contract voor de installatie en het beheer van de parkeermeters in Luik. Na zijn veroordeling trok Close, een fervent Standard-supporter en ervaren alpinist, zich terug in het dorpje Aubel. Bij veel Luikenaars bleef hij een populair man. Ook al was hij verantwoordelijk voor de bestuurlijke chaos in het Luik van de jaren zeventig en tachtig.

Close was een ‘oer-PS’er’. Afkomstig uit een arbeidersgezin, werkte hij eerst als houtbewerker alvorens aan de slag te gaan bij de socialistische mutualiteiten. Close kon binnen de PS opklimmen door zijn bestuursfuncties bij de Waalse jongsocialisten. Al in 1958 werd hij gemeenteraadslid. In 1968 veroverde hij een zitje in de Kamer. Kort daarna volgde een Luiks schepenambt. Close was begin jaren zeventig kritisch over de regeringsdeelname van de socialisten, maar die bezwaren verdwenen toen hij staatssecretaris voor Waalse Regionale Ontwikkeling (1972-‘73) werd en vooral minister van Binnenlandse Zaken (1973-‘74) in de regering-Leburton. Het was de tijd dat de PS’ers de wijnkelders en de champagnevoorraden op de kabinetten als hun persoonlijke eigendom beschouwden. Close bleef slechts een goed jaar minister. Daarna keerde hij terug naar Luik, eerst als schepen en vanaf 1977 als burgemeester. Hij was de eerste burgemeester van ‘le grand Liège’, na de fusies dus.

Close slaagde erin tot 1990 aan de macht te blijven. Daarvoor moest hij vanaf 1983 wel coalities aangaan met het Rassemblement Wallon en zelfs Ecolo (een primeur). Het was de enige manier om een alternatieve coalitie van PRL (voorganger van de MR) en PSC (nu cdH) tegen te houden. Tot op de dag van vandaag zijn de liberalen, nochtans sterk in de stad Luik zelf, een lokale oppositiepartij.

Het PS-beleid onder Close was een ramp. Onder het goedkeurend oog van peetvader André Cools, die vanuit het naburige Flémalle een grote invloed had op de Vurige Stede, werd een vorm van staatskapitalisme in het leven geroepen met overlegorganen, intercommunales en parastatalen. Daar werd een massa geld beheerd, en vooral veel uitgegeven. Politici deden er aan zelfbediening als was het de normaalste zaak ter wereld. Ook in het gemeentebestuur. In die mate dat Luik in 1989 tegen een nooit geziene schuld aankeek. Er moest personeel ontslagen worden, maar dat leidde tot een bestuurlijke chaos, want veel basistaken konden niet meer worden uitgeoefend. Kwam nog bij dat de sociale onrust bij het stadspersoneel toenam. De huisvuilophalers legden het werk neer. Lange tijd bleven afvalzakken in de straten liggen. Ze werden zelfs opgestapeld voor het stadhuis, met een niet te harden stank tot gevolg. Close moest het leger opvorderen om alles op te kuisen. Het was het begin van de politieke neergang voor de volksmens Close. Maar aan de Luikse graaicultuur kwam nog lang geen einde.

Picard