Over onderwijs en zeker de rol die Vlaanderen op dit domein in Brussel speelt, is al heel wat inkt gevloeid. Jammer genoeg walsen de discussies over het onderwerp vaak rond de essentie. Het vergeten doelpubliek: de mensen voor wie dit onderwijsaanbod eigenlijk bestemd is. 

Tot wie richt het Nederlandstalig onderwijs in Brussel zich precies? De vraag klinkt onschuldig en in wezen is ze dat ook; tegelijk ligt ze ook politiek gevoelig. Eén generatie geleden was het antwoord eenvoudig: voor de Brusselse Vlamingen en de Vlamingen in de Rand. Maar vandaag?

Louis Tobback

Nostalgie kan een prettig tijdverdrijf zijn tijdens late kroegbezoeken, voor het uitstippelen van een beleid is het een bar slechte raadgever. Sociologisch is onze hoofdstad op nauwelijks enkele decennia fundamenteel veranderd. Vlamingen trokken er weg, met als gevolg dat het moeizaam tot stand gekomen aanbod vooral een zaak van Frans- en anderstaligen is geworden. De reden waarom vele duizenden Brusselaars hiervoor kiezen, ligt voor de hand. Cru gesteld: beter en blanker, ook al is dit steeds minder het geval. Jaren geleden al legde socialistisch coryfee Louis Tobback de vinger op de wonde. Met de franc-parler die hem eigen is, benadrukte hij dat het Nederlandstalig onderwijs in de hoofdstad een uitweg was voor racistische Franstalige bourgeois. Wat toen duidelijke taal werd genoemd, zou hem vandaag ongeziene politiek correcte banbliksems opleveren.

Dat Vlaanderen een onderwijsaanbod voorziet dat beduidend breder is dan de geslonken groep waarvoor het ooit bestemd was, staat buiten kijf. In hoeverre die politiek moet worden voortgezet, is een legitieme vraag. Het is een debat op zich. Maar in onderwijsdebatten ontbreekt vaak één cruciaal punt. Dat kernpubliek van weleer, om het zo uit te drukken, is fors geslonken, maar helemaal verdwenen is het niet. Toch blijven deze mensen vaak in de kou staan, de praktijkvoorbeelden zijn legio.

Voorrangsregels

Wie zijn kind in een middelbare school wil inschrijven, kan maar beter niet allergisch zijn voor wat Kafka. Er is een “contingentering” voor GOK (gelijke onderwijskansen) en niet-GOK. Dan heb je nog voorrangsregels voor kinderen van personeelsleden, broers en zussen, maar ook voor Nederlandstaligen. In verschillende scholen is het aandeel voor deze laatste groep echter ontoereikend. De voorbije jaren gebeurde het daadwerkelijk inschrijven telefonisch of via een webstek; vanaf volgend schooljaar gaat men het zelfs via een loterij doen. Stel een Nederlandstalig middenklassengezin in Brussel schrijft een kind in voor een school waarvan de vraag het aanbod overtreft, dan zal een loting bepalen wie een begeerde plaats krijgt.

Een vals debat wordt hierover gevoerd. Steevast heeft men het over het “capacitair probleem” van het Brussels onderwijs. Meer plaatsen, en klaar is Kees. Het is een manier om het échte debat uit de weg te gaan. Want dat blanker en beter, tja, het is net wat heel wat ouders willen. Er is een doelpubliek dat men centraal moet plaatsen. Pas wanneer het beleid erin slaagt deze mensen te geven waar ze recht op hebben, kan men zich bekommeren over het capaciteitsvraagstuk, dat eigenlijk vooral een Franstalig probleem is.

KNIN