Nu velen onder u net een “tournée minérale” achter de rug hebben, zullen we het eens hebben over een stukje geestrijke geschiedenis. We trekken van grote dorst meteen naar het Hasseltse jenevermuseum. Inderdaad, dit kenniscentrum rond één van onze oudste dranken heeft met zijn zoektocht naar jeneverbaronnen een opmerkelijk initiatief gelanceerd. Doe ze nog eens vol, en lees gerust verder!  

Vooreerst kunnen we ons afvragen of cultuurbezit niet in de eerste plaats iets statisch tastbaars moet zijn, of toch tenminste als een te verklanken tekst of partituur voor de dag moet komen, om als dusdanig erkend te worden. Het lijkt een plausibele, doch wat enge definitie. In de zin van datgene wat generatieslang rijpte en verstrengeld geraakte met het dagelijkse leven, kunnen we streekeigen voedingsproducten en dranken, alsook de daarmee verbonden gewoonten eveneens als cultuurgoed bestempelen. Hoe vaak waren de culinaire verworvenheden van onze traditierijke westerse wereld niet bepalend voor de algemene levenswijze, de geschiedenis en ja, ook de hogere kunsten?

Jeneverstad

Het “bourgondische” Vlaanderen is wat dat betreft een bont palet. Elke streek en stad etaleert met trots de plaatselijke gastronomische toppers. In Hasselt is jenever het uithangbord. Dat is historisch zo gegroeid. Al van in de late middeleeuwen worden er in de streek uit graan en bessen stevige borrels gedistilleerd, voor Jan en alleman. Zowel de boerenjongens en -meiden als de kasteelheren laafden zich aan het naar verluidt geneeskrachtige “aqua vitae”. Hasselt dankt zijn status van jeneverstad vooral aan het feit dat men tot 1795 aan het prinsbisdom Luik toebehoorde. Terwijl de aartshertogen Albrecht en Isabella begin 17de eeuw de productie en verkoop van brandewijn in de Habsburgse Nederlanden aan banden legden, draaiden in Hasselt en omstreken de stokerijen op volle toeren voort. In die evolutie lag niet alleen de basis van de absolute perfectionering, maar tevens het succesverhaal van de distilleerderijen tijdens de industriële revolutie in de 19de eeuw. Op het moment dat de Belgische overheid het nodig vond de nijverheid een economisch nekschot toe te dienen, zat de traditie van stoken, proeven en genieten al zo diep in het Limburgse weefsel, dat die tot op vandaag kon overleven.

Participatief verzamelen

Voor Limburgers is jenever nog steeds het levenselixir van elke feestelijke of volkse gebeurtenis. Om de verbondenheid tussen de Hasselaren en de eeuwenoude jeneverindustrie aan te halen, heeft de stad in 1979 in de voormalige stokerij Stellingwerff/Theunissen een museum over deze nijverheid ondergebracht. Mensen met elkaar verbinden, daar draait het om. Onlangs ging men vanuit het museum – geheel in de geest van de oprichters – op zoek naar stadsgenoten die speciale ervaringen, anekdotes of erfgoed in strikte zin rond de jeneverproductie wilden delen. Reeds negen Hasselaren traden met private stukken en geschiedenissen naar voren en werden daarvoor met de titel “jeneverbaron” bedacht. Dit “participatief verzamelen” geeft inhoud aan een tijdelijke tentoonstelling die het jenevererfgoed in de stad in kaart wil brengen. Het is verbazingwekkend welke grote verhalen over generaties stokers er aan de kleinste voorwerpen kleven. Dit is een expo die niet alleen leert, maar ook echt leeft en zodoende een erg originele aanvulling vormt op de vaste collectie van bijna 27.000 chronologisch geordende stukken.

De expo “Iedereen jeneverbaron” is tot 4 juni te bezoeken in het Jenevermuseum, Witte Nonnenstraat 19 Hasselt.

Tom