Vlamingen zijn per hoofd van de bevolking bij de grootste kunstverzamelaars ter wereld en stoppen, beschaamd en gierig, hun aanwinsten weg. De buren zouden jaloers kunnen zijn. De fiscus zou achter hun kladden kunnen zitten, want, met welk geld heb je wat gekocht? En zo kan men nog tien elementen opsommen.

De Vlamingen zijn haast bevreesd voor hun eigen schaduw. Een probleem waar onze verzamelaars minder mee te worstelen hebben dan in Duitsland is: zijn de doeken of beelden die ik bezit roofkunst? Stammen de scheppingen uit collecties die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het naziregime gestolen zijn. Bij ariërs en Joden.

Na de Tweede Wereldoorlog maakten weinig Duitsers met een aanzienlijke kunstverzameling er een punt van om de herkomst na te gaan. Het zou wel eens kunnen geleid hebben tot onaangename vaststellingen. Zij die gestolen kunst wilden zoeken en recupereren, botsten op de privacy en de eigendomsrechten van de privéverzamelaars. Dus wat er aan muren of in gangen van burgerwoningen hing, bleef geheim en was soms geheimzinnig. De generatie van 1945 en voorgaande is ondertussen stokoud of gestorven en heeft haar kunstschatten doorgegeven aan de nieuwe generatie. Die nieuwe kunstbezitters, met soms vooraanstaande collecties, hebben in sommige gevallen een onrustig geweten en begonnen een onderzoek naar de oorsprong van hun schilderijen en beeldhouwwerken. Nu met de hulp van de overheid. Om meer collectioneurs tot onderzoek aan te sporen, heeft de Duitse regering aangekondigd om de research naar de origine van de werken te betoelagen met 3,4 miljoen euro. The New York Times wijdt een reportage aan de kwestie.

Roofkunst

Uwe Hartmann is het hoofd van de Stichting voor Verloren Kunst en geeft tot 300.000 euro per speuropdracht. De nieuwe som die Berlijn uittrekt is welkom voor het oorsprongsonderzoek, oordeelt hij. Tot nu toe was het overheidsgeld slechts beschikbaar voor onderzoek in museums en bibliotheken. De beslissing om verder te graven, is een gevolg van de vondst in 2013 van de grote verzameling gestolen kunst van Cornelius Gurlitt in zijn appartement in München. Gurlitt had de schilderijen geërfd van zijn vader, die makelaar was van de nazi’s om kunst van Joden samen te brengen en ten gelde te maken. De regering schoot wakker na de Gurlitt-affaire. Ze liet om te beginnen diens doeken tegen het lamplicht houden en besloot dat 158 kunstobjecten geplunderd waren. Hartmann ziet een spontaan grotere belangstelling van kunsteigenaars om hun schat door te lichten. Hij ontvangt regelmatig pakketten met de vraag om een onderzoek te verrichten. Hij vertelt: “Wij ontvingen vier miniatuurtjes met een briefje waarin stond, mijn vader was in Oekraïne tijdens de Tweede Wereldoorlog.” Al wat hij daarop kon doen, was foto’s nemen van de schilderijtjes, deze terugsturen en de beelden plaatsen op de webstek “lostart.de”.

Niet iedereen heeft gewacht op de zaak-Gurlitt. In 2006, enkele jaren voor de tabakskoning Reemstma een onderzoeker inhuurde om zijn collectie in te kijken, besliste Bettina Horn, die het kunstbezit van haar overleden echtgenoot beheert, om eveneens een oorsprongsonderzoek aan te vatten.

De puddingen en pizza‘s van dr. Oetker hebben deze familie veel geld opgeleverd en dat is ook aan kunst gespendeerd. Een specialist mocht binnen en ontdekte vier geroofde werken in een groep van 200 schilderijen. Een van de topstukken, een doek van Anthony van Dyck, hing jarenlang in de gang die leidde naar het chef-kantoor in het bescheiden bakstenen hoofdkwartier van de onderneming in Bielefeld. Voor kort verklaarde het bedrijf dat het dat schilderij zou terugbezorgen aan Marei von Saher, de enige erfgenaam van Jacques Goudstikker, een Nederlandse kunsthandelaar die vluchtte voor de nazi’s in 1940. De van Dyck werd gedwongen verkocht en kwam achtereenvolgens terecht in de handen van Hermann Goering, de Nederlandse regering en een Londense kunsthandelaar alvorens het verkocht werd aan Rudolf-August Oetker in 1956.

Verzamelaars

De Duitse wet brengt mee dat de oorspronkelijke eigenaren van kunstwerken moeten terugvallen op de goede wil van de privéverzamelaars. Museums zijn door de zogenaamde Washington Principles verplicht om met de rechtmatige bezitters in contact te treden en teruggave mogelijk te maken. Uwe Hartmann ziet een spontane ethische reflex bij de huidige generatie van bezitters, die meer geneigd is geroofde kunst terug te bezorgen.

Sebastian Neubauer, 31, erfde een doek van Gustave Doré van zijn oma. Haar huis in München werd gebombardeerd in 1943 en zij vertelde haar nageslacht dat zij het schilderij naast andere kostbaarheden in een valies had meegenomen. Na haar dood ontdekte de familie een ander verhaal. Uit brieven van haar vader bleek dat hij de Doré zonder kosten had verworven in Parijs en dat hij het zag als een compensatie voor wat zijn dochter bij het bombardement van München had verloren. Kleinzoon Sebastian: “Het schilderij is gestolen en wij willen daar niet van profiteren.”

Kurt Ruegen