Het succes van de barokopera begin de 17de eeuw lag vooral in Rome en Venetië. Claudio Monteverdi (1567-1643), vooral bekend voor zijn madrigalen en kerkmuziek, componeerde met “Orfeo” in 1607 de eerste echte en mooiste opera van zijn tijd, en eerder in de Florentijnse traditie.

In Rome was de paus de grote promotor van het operagenre. De meest productieve librettist was Giulio Rospigliosi, later paus  Clemens IX. Monteverdi, op gezegende leeftijd stilaan op rust, voelde zich het best thuis in Venetië en aanvaardde ultiem nog de opdracht voor “Il Rittorno d’Ulysse in patria” naar een libretto van zijn vriend Badoaro. Hoewel Odysseus centraal staat, bij zijn geheime terugkeer in zijn paleis na een lange zwerftocht, draait alles rond Penelope. De 73-jarige Monteverdi is hier tot volle rijpheid en uitstraling gekomen. Hij beheerst alle finesses van de barokorkestratie, maar ook de vocale technieken in aria’s, duetten en kwartetten. Het werk heet wel dramma per musica, maar Monteverdi houdt het vaak luchtig en komisch met instrumentale vondsten en vocale uitschieters. Zo zijn de rollen van de vrijers en de belagers van Penelope hilarisch ingekleed. Naast de twee protagonisten benut de componist de vele kansen met de ruime entourage van het aardse paradijs en het godenrijk. De grote specialist van dit genre blijft algemeen leider René Jacobs. Het is een concertante opera in de grote zaal van het Paleis voor Schone Kunsten, maar Jacobs laat de zangers aan het werk op de balkons, tussen het B’Rock Orchestra, een sterk barokorkest. Het is even wennen aan de muziek van circa 1600, maar de bijna drie uur durende voorstelling blijft boeiend en genietbaar. Er zijn geen hiaten in de concertante, alle stemmen klinken zoals het hoort. Alle vocalisten, solo of in groep, trekken zich op aan de hoofdvertolkers, Stéphane Degout als Odusseus en Katarina Bradic als Penelope. Deze laatste is met Fauré en Monteverdi de laatste maanden wel voldoende in de muzikale verf gezet.

FDC