In korte tijd liep ik hem tweemaal tegen het lijf. Bij de uitreiking van de ‘Trofee Raymond Goethals’ in Aalst zat ik aan zijn tafel, samen met Swat van der Elst en Hugo Broos. We luisterden met meer dan gewone belangstelling naar zijn soms straffe verhalen. Een maand later was het in minder aangename omstandigheden dat ik hem ontmoette. Ik zat naast een aangedane Aimé Antheunis in de kerk van Mazenzele, waar we afscheid kwamen nemen van Swatje van der Elst.

Bij onze eerste ontmoeting speelde ik al met de gedachte om hem te vragen voor een interview in ‘Sport-Voetbalmagazine. Aimé is een geboren verteller. Ik besloot de daad bij het woord te voegen en belde hem op. Voor Antheunis is een goed gesprek nooit een probleem geweest, dat bleek later.

Aimé Antheunis is een bourgondiër. Toen ik hem voorstelde af te spreken in een excellent Italiaans restaurant in Zaventem, was hij dadelijk akkoord. Onze timing was in alle geval uitstekend. Bijna tegelijkertijd stonden we aan de deur van Da Lino, ‘the place to be’. Een muur vol met foto’s van zogezegde bekende Vlamingen bevestigde ons dat. Tot mijn grote verbazing hing Aimé zijn kop daar ook tussen! Hoe hij daar was terechtgekomen, was ook voor onze ex-bondscoach een raadsel, maar ja, als trainer van de Rode Duivels moest je ook overal komen.

Racing Genk

Aimé Antheunis startte zijn trainersloopbaan bij SC Lokeren, maar zijn eerste grote successen beleefde hij bij RC Genk. Met de Limburgers werd hij vicekampioen, won de Beker van België en als kers op de taart werd hij tot ieders verbazing landskampioen met de fusieclub. Zijn monument in Genk was besteld, maar het werd nooit geleverd, want hij vertrok naar Anderlecht!

Toen ik hem vroeg of hij het tof vond dat zijn spelers bij Genk hem ‘papa’ noemden, reageerde hij niet zo enthousiast als ik verwachtte. “Ja, dat is ook zoiets wat mij is blijven achtervolgen. Iedereen denkt, Antheunis dat is een gemakkelijke, een brave. Zo ben ik juist niet! Ik was nu ook niet de man die met geldboetes stond te zwaaien, maar men moest correct blijven, anders was het grote ambras. Het zijn de donkere jongens die met dat ‘papa’-gedoe zijn begonnen. Zij waren slimmer dan je dacht, maar het enige dat ze nooit bijhadden was een uurwerk. Iedere dag waren er wel een paar die te laat kwamen. Dan kon je als trainer twee dingen doen: tieren en brullen, of je kon met ze praten. Als je eenmaal hun vertrouwen had en je was correct met hen, dan kreeg je veel terug van die mannen, dan werd je hun ‘papa’ en kwamen ze op tijd. Het was hun geraden, want anders konden ze op hun moeder beginnen roepen…”

Gille van Binst