Vijftig jaar is het geleden dat 323 mensen stierven in de grootste brand die het land ooit trof.

Maandag 22 mei 1967. Ik ben nog onderbureauchef van de sectie Inventaris van de VRT en huis met mijn opstellers in een bureautje op een tussenverdieping aan de binnenkoer van het omroepgebouw aan het Flageyplein in Elsene. Aan de overzijde waren de lokalen van Jan Briers en Regine Clauwaert en een hoge muur. Er komt iemand zeggen dat de Innovation brandt. We lopen naar een raam en zelfs daar zien we de reusachtige rookpluim die over Brussel hangt. Ons transistortje krijgt een streepje meer volume en even na 14 uur komt er een extra nieuwsuitzending en de harde mededeling dat er misschien wel …10 doden zijn.

Geen Nederlands

Ik ken “A l’Innovation” (“de Inno” is een latere benaming) zeer goed. Iedere veertien dagen doe ik op zaterdag de ronde van Brussel. Ik begin in de platenbakken van de “Bon Marché” aan de Kruidtuinlaan en stap dan naar “La Maison Bleue” in de Nieuwstraat. In de grootste platenzaak van het land – met een hele verdieping klassieke muziek – kijk ik alleen maar, want ik koop nooit iets omdat de verkoopster geen Nederlands spreekt. Tegenover “La Maison Bleue” is de ingang van de Innovation, waar ik mijn ronde voortzet. Het is een formidabel gebouw (feitelijk vier gebouwen) met een grote glazen koepel, een indrukwekkende marmeren trap en een open centrale hal. Vanaf de vijfde verdieping kijk je naar alle andere verdiepingen beneden jou. De Innovation is het warenhuis van de betere klasse, die neerkijkt op de “Bon Marché”, de “Magasins de la Bourse” en de “Galeries Anspach”. De verkoopsters (“vendeuses” zegt men ook in Vlaanderen) zijn geen snotapen maar echte dames, altijd keurig gekleed, gekapt en gemaquilleerd. Bij hun standing hoort dat de meesten geen Nederlands kennen of willen kennen (maar die wel – zei mijn moeder – einde mei 1940 plots Duits spraken). De Innovation heeft een dagelijkse omzet van miljoenen Belgische franken. Rond de middag zijn er gemiddeld 2.000 bezoekers.

Het schouweffect

Om 13.20 uur merkt een personeelslid een rode gloed op aan het verlaagd plafond van het lokaal waar de reservekinderkleding bewaard wordt. Ze verwittigt onmiddellijk drie mensen, die met een brandblusser te hulp schieten (hoewel er slangen zijn) en die de beginnende brand zonder succes proberen te blussen. Er wordt nog geen alarm geslagen. Eerst 14 minuten later krijgt de Brusselse brandweer het eerste van twee telefoontjes (10 à 20 telefoontjes bij een brand waren normaal) dat er iets mis is in de Nieuwstraat. Inmiddels verspreidt het vuur zich razendsnel via de verlaagde plafonds en bereikt de open centrale hal, die een reusachtige schouw wordt. De vlammen vinden een ideale prooi in de vele kledingstukken, in die tijd nog van nylon geproduceerd. Automatische brandblussers zijn er niet. Door die brand leert Vlaanderen het woord “sprinkler” (zoals een latere generatie na de ramp in Thailand plots “tsunami” kent).

Paniek

De ontruiming van de lagere verdiepingen gaat nog vlot, want de rook trekt van beneden naar boven. Dramatisch wordt het van zodra de rook de derde verdieping treft en in de andere gebouwen opduikt. Aan het gebouw aan de Dambordstraat wordt nog 10 minuten na het eerste alarm voortgewerkt. Het alarm wordt verward met het geluid van het einde van de shift van 13.30 uur. Vooral in het selfservicerestaurant (toen nog erg nieuw) heeft niemand iets in de gaten, tot er rook verschijnt. Op dat ogenblik is het vuur al zo hevig dat een personeelslid de elektriciteit uitschakelt. Onmiddellijk stoppen alle liften en roltrappen, en het licht valt uit. Dan breekt wilde paniek uit. Het is ieder voor zich. Er wordt wanhopig naar een uitgang en de trappen gezocht. Ervaren verkoopsters op de hogere verdiepingen brengen zichzelf in veiligheid door als waaghalzen via de koperen trapleuningen naar beneden te glijden. Mensen op de hogere verdiepingen vinden de weinige nooduitgangen niet, vluchten naar boven, zoeken ramen die ze openen en klimmen in de dakgoten om aan het vuur te ontsnappen. De brandweer is inmiddels aangekomen, merkt dat er binnen nauwelijks iemand te redden is en probeert de mensen op de dakgoten te redden. De Nieuwstaat is echter vrij smal en niet autovrij; in heel de straat staan auto’s geparkeerd. De brandweer kan zijn lange ladder niet opstellen en behelpt zich met houten ladders die van overal aangesleept worden.

Rattenval

De brand is ongelooflijk hevig. Vooral het restaurant, waar 200 mensen zitten, is een rattenval, tot een paar mensen vluchten via een raam en weer in een dakgoot terechtkomen. Via een touw dat hen toegegooid wordt, kunnen ze ontsnappen. Maar met de seconde worden de kansen kleiner. Mensen springen wanhopig uit ramen en vallen te pletter. Sommigen kijken bevend naar de brandweerzeilen op de begane grond, die toch zo klein lijken. Een halfuur na het begin van de ramp moet de brandweer zich al concentreren op de panden rond de Innovation, want die dreigen ook in vlammen op te gaan. De hele Brusselse binnenstad gelijkt in niets op de vermoorde en verloederde plaats van vandaag, dus stromen van overal ramptoeristen toe. Om 14 uur springt de glazen koepel en de rook verdwijnt even, maar dan verergert het schouweffect. Een kwartier later is alles voorbij. Officieel zijn op dat ogenblik nog maar tien slachtoffers geteld; mensen die van de daken of uit de ramen sprongen. De brandweer vermoedt al dat er honderden doden zijn. Personeelsleden trekken naar het Rogiercentrum, waar de directie huist. Ze registreren zich en ontdekken dat de collega x en y er niet zijn. In heel Brussel en omgeving wachten wanhopige mensen op de komst van een geliefde, of op een telefoontje (veel gezinnen hebben nog geen toestel). Als de man of vrouw niet verschijnt, begint een wanhopige tocht langs vele hospitalen. Dikwijls tevergeefs. Op dinsdag betreden mensen van het Rode Kruis en de Civiele Bescherming de ruïnes om de lijken, of wat ervan over blijft, te bergen. Soms is een windvlaag al genoeg om de as van een mens te verstrooien. 72 van de 323 doden worden nooit geïdentificeerd. Onder de slachtoffers zijn 67 personeelsleden.

Niemand verantwoordelijk

Wie is er verantwoordelijk voor de ramp? Het parket hoort 1.800 getuigen en ondervraagt linkse actievoerders. In de Innovation is, midden in de oorlog in Vietnam, een Amerikaanse veertiendaagse aan de gang en het warenhuis heeft bedreigingen ontvangen. “Brussel zegt neen aan de Yankee-bezetters”, staat op een pamflet van de vereniging België-Vietnam. Er werd eerder olie op de vloer gegoten, en er waren rookbommetjes gegooid. De politie zoekt naar resten van een bom, maar vindt niets. Actiegroepen ontkennen alles en na een grondig en zeer langdurig onderzoek eindigt alles met een sisser. Niemand wordt vervolgd, ook geen enkel directielid. Een paar weken na de brand herbegin ik mijn ronde. Op het Rogierplein is onder een grote tent een tijdelijke en kleine Innovation ondergebracht. In 1970 heropent het warenhuis met een gloednieuw gebouw in de Nieuwstraat. De brand heeft als gevolg dat de politiek zich met de brandveiligheid moeit. Een jaar later worden sprinklers verplicht in warenhuizen. Vijf jaar na de gruwel in Brussel wordt een nieuwe wetgeving goedgekeurd. Om grote branden te vermijden, beveelt de overheid het gebruik aan van … brandwerend asbest.

Jan Neckers