Zevenendertig actieve Vlaamsgezinden, op 7 januari 1917 vergaderd in het Vlaams huis te Brussel, onder voorzitterschap van prof. dr. Pieter Tack besloten te ijveren “voor Vlaanderens volledige en actieve zelfstandigheid en autonomie en de onverwijlde uitvoering van al de maatregelen die ertoe moeten leiden”. Voorlopig moeten hun besluit en de daaruit voortvloeiende actie geheim blijven.

Deze 37 activisten willen op zondag 4 februari 1917 te Brussel een grote ‘landdag’ beleggen, waarop “alle Vlaamse voormannen” zullen uitgenodigd worden. Die ‘landdag’ zal een Vlaamse raad kiezen, die moet zorgen voor de verwezenlijking van het getroffen besluit. Aan de Duitse overheid zal gevraagd worden “de Vlaamse voormannen” een gemakkelijker verplaatsing van en naar het etappegebied (Oost- en West-Vlaanderen) en het operatiegebied (nabij het front in West-Vlaanderen) mogelijk te maken. Er wordt een comité van negen leden verkozen dat de ‘landdag’ zal voorbereiden. Tack en dr. August Borms maken er deel van uit.

Het voorbeeld van Polen

Deze Vlaamse activisten spiegelen zich aan het voorbeeld van Polen. In het vroeger Russische deel van Polen, “bevrijd” door Duitse en Oostenrijk-Hongaarse troepen, werd een ‘Voorlopige Staatsraad’ gevormd. Die Staatsraad – geduld door Berlijn en Wenen – heeft recht op advies, maar kan geen besluiten nemen noch uitvoeren, noch zelfstandig handelen. Zijn de Polen, die meewerken met hun bevrijders-bezetters – de vijanden van hun vroegere Russische meester -, verraders? Staatsverraders, tegenover Moskou, ongetwijfeld. Maar zijn het ook landverraders, verraders van hun eigen land? Volksverraders? Die Poolse Staatsraad hoopt de grondslagen te kunnen leggen van de nieuwe Poolse staat in wording, van een door na verkiezingen te vormen regering, na de oorlog. Na de Duits-Oostenrijkse overwinning… De Vlaamse activisten willen op hun ‘landdag’ een “Raad van Vlaanderen” doen verkiezen die, met de steun van de Duitse bezetter, zou werken zoals de Poolse Staatsraad. Men zal in de eerste plaats personen uitnodigen die een voorstaande functie bekleden in grote Vlaamse verenigingen. Om tot de landdag toegelaten worden, moeten die genodigden echter eerst de vastgestelde formule “Vlaanderens volledige en actieve zelfstandigheid en autonomie…”, of een gelijkwaardige, ondertekenen.

2017-17_13_Jozua De DecekerSteunen op het volk!

Het voorbereidend comité komt bijeen op 17 januari en bespreekt onder andere de afwijzende reacties van een aantal Vlaamsgezinden. De liberale volksvertegenwoordiger Leo Augusteyns en de katholieke vertegenwoordiger en advocaat Adelfons Henderickx doen niet mee, omdat zij een afkeer hebben van ‘staatsgrepen’. Zij willen daarenboven blijven steunen op het volk, verklaren zij. De bekende oogarts dr. Reimond Speleers, professor aan de Gentse universiteit en een zeer overtuigd Vlaamsgezinde, doet niet mee omdat hij zich in geweten gebonden acht door de eed die hij afgelegd heeft als officier van de burgerwacht (Garde Civique). Advocaat Lodewijk Dosfel, rechtskundig adviseur bij het ministerie van Spoorwegen, en professor aan de Gentse universiteit, doet niet mee omdat hij het revolutionaire optreden van het comité en de landdag in strijd acht met de grondwet en de wetten van de Belgische Staat, waaraan hij als ambtenaar trouw gezworen heeft. Andere goede Vlaamsgezinden hebben eveneens de uitnodiging negatief beantwoord. Het comité neemt nog een zeer belangrijke beslissing, bepalend voor de verdere ontwikkeling van het Aktivisme.

Audiëntie bij von der Lancken

De Duitse Dr. Dirr, van de “Politische Abteilung” (die te Brussel het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken vertegenwoordigt), heeft gevraagd dat men de wenselijkheid zou onderzoeken om een afvaardiging van de op te richten Raad van Vlaanderen naar Berlijn te zenden om de Vlaamse wensen voor te leggen aan de rijksregering.

Wat te doen?

Professor Jozua de Decker, vrijzinnig flamingant die met koele hartstocht een radicale politiek nastreeft (1), stelt voor dat men een onderhoud zal aanvragen met baron von der Lancken, te Brussel. Na een felle discussie wordt besloten dat men aan deze Duitse ambtenaar (die in zijn hart veel meer voelt voor de traditionele Belgische machten, het franskiljonisme inbegrepen, dan voor Vlaamsgezinden) zal vragen: ‘In hoeverre kan door de Vlamingen op dit ogenblik iets gedaan worden voor de bevestiging van de zelfstandigheid van Vlaanderen, wat de hoge regering te Berlijn noodzakelijk voorkomt, en op welke steun in deze kunnen de Vlamingen rekenen?’

Op 18 januari 1917 wordt een afvaardiging van zes Vlamingen ontvangen door von der Lancker. Zij stellen zich op als vertegenwoordigers van “het strijdende intellectuele Vlaanderen”. Naast Pieter Tack en Jozua de Decker is prof. Jan Eggen (die zich later Eggen van Terlan zal noemen) zeker wel het belangrijkste lid van deze groep. Deze schrandere en geleerde advocaat is geen mannetje dat braafjes in de pas wil lopen. De vraag van de Vlamingen wordt door von der Lancken diplomatisch beantwoord met een aanhaling uit de redevoering van rijkskanselier von Bethamn-Hollweg betreffende Vlaanderen: “Ook hier is van een vroegere toestand geen sprake meer – ook hier kan Duitsland de lang verdrukte Vlaamse volksstam niet aan de verfransing overleveren. Het moet hem een gezonde, brede, met zijn aanleg strokende ontwikkeling, met zijn Nederlandse taal en eigenheid tot grondslag, verzekeren.”

Wanneer het comité de volledige zelfstandigheid en autonomie vraagt, en het onmiddellijk verwezenlijken van alle maatregelen daartoe strekkend, is de tegenvraag van Freiherr von der Lancken: ‘Is een zelfstandig Vlaanderen leefbaar?’

Daarover wordt lang gediscussieerd. En de inzichten van de rijksregering? Het vraagstuk zal langs alle zijden onderzocht worden, belooft von der Lancken. Laten de Vlamingen tot dat doel een lichaam vormen, dat daarna met Berlijn in betrekking zal gebracht worden. Het Duitse bestuur te Brussel, aldus von der Lancken, is principieel akkoord over de noodzakelijkheid van de politieke scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië, en belooft ook al het mogelijke te doen om de bestuurlijke scheiding door te voeren, en wel zo snel mogelijk. De Duitser en de Vlamingen komen nog overeen dat de werking voor de politieke scheiding zal geheimgehouden worden en dat men een vredesmanifest zal publiceren.

2017-17_13_Lodewijk DosfelDe landdag van 4 februari 1917

Er wordt een voorlopige lijst van kandidaten voor de Raad van Vlaanderen samengesteld, evenwel zonder die kandidaten te raadplegen. Zoals Dosfel. Van mensen ook die nooit lid zullen worden van de Raad, zoals bankdirecteur Joris Fassotte, ingenieur Robert Standaert, de Antwerpse conservator dr. Jan Denucé en professor dr. Cesar de Bruyker. Uit de vele bijeenkomsten voor de landdag blijkt dat er zeker nog geen volmaakte eendracht bestaat onder actieve groepen Vlaamsgezinden (de activisten) in Vlaanderen. Men is onder meer ontevreden omdat er te weinig katholieken voorkomen op de kandidatenlijst voor de Raad van Vlaanderen. De formule om tot de landdag toegelaten te worden – volledige en algehele zelfstandigheid en de onverwijlde verwezenlijkingen van al de maatregelen die ertoe moeten leiden – lokt ook nog altijd verzet uit. Borms, steeds de apostel van de eendracht, bepleit een lichte wijziging van de formule, waardoor ze op soepeler wijze zouden kunnen geïnterpreteerd worden… Hij bereikt zijn doel niet. Het blijft: die formule ondertekenen of geen toegang tot de landdag! Tack en De Decker, beiden vrijzinnigen (en de echte leiders van de activistische politiek) beloven dat de commissies van de Raad van Vlaanderen overwegend katholiek zullen zijn. 320 personen zijn uitgenodigd tot de landdag op zondag 4 februari 1917 in het Vlaams Huis op de Grote Markt te Brussel. Borms is belast met de karwei enkele genodigden die wel de landdag willen bijwonen maar niet de formule ondertekenen, te overhalen.

Dat lukt hem in sommige gevallen, maar vier onverzettelijken verkiezen de lange en lastige terugreis naar het etappegebied, zonder aan de vergadering deel te nemen. Tot die vier behoren ingenieur Robert Standaert (Balgerhoeke) en advocaat Leo van Dorpe, uit Kortrijk (2). De landdag begint te twaalf uur; slechts één uur te laat. Van de 320 genodigden zijn er 128 aanwezig. Aan de bestuurstafel van deze bijeenkomst – een historische bijeenkomst, zoals later zal blijken – zitten de professoren Tack, De Decker, Claus en De Keersmaecker, verder dr. A. Borms, Achiel Brijs, A. L. Faingnaert, Richard de Cneudt, dr. Emiel Dumon, advocaat Jozef van den Broeck en Pol Goossens. Onder de 128 leden van de landdag zijn er professoren, leraars en onderwijzers, advocaten, geneesheren, één priester (Vaast Bamps, uit Merchtem), handelaars, bedienden, één beenhouwer, letterkundigen, één kunstschilder, één architect, één landbouwingenieur, één bankier, één wisselagent, één ontvanger van de belastingen, één “tuinbouwkundige”, één kleermaker, één “sociaal werker”, een aantal ambtenaars en beambten, en zelfs één veearts. Vlaanderen… in zekere zin. Maar in elk geval: de Vlaamse Beweging van voor 1914. Geen boer, geen arbeider. Menig deelnemer aan die landdag was of werd bekend en/of beroemd: Karel Angermille, Fred Bogaerts, Roza de Guchtenaere (de enige vrouw in dat “manhafte” gezelschap!), Willem Gijssels, Felix Timmermans, dr. Jur. Juul Suincemaille, Hippoliet Meert, Jef van Extergem, kleermaker en later communistisch voorman.

“… met de hulpe Gods”

Een deelnemer stelt voor de laatste woorden van de slotformule van het ontwerpmanifest weg te laten, teneinde de “ongelovigen” niet te ontstemmen. Die slotformule luidt namelijk “… met de hulpe Gods”. Het is een vrijzinnige, prof. dr. Antoon Jacob die de formule verdedigt. Geen enkele vrijzinnige, aldus de Groot-Nederlandse Jacob, kan aanstoot nemen aan de Godsidee zoals ze uitgedrukt wordt in het Wilhelmus van Nassouwe: “Mijn schild ende betrouwen, zijt Gij, o God. Mijn heer…”

Na een bespreking van twee uren wordt het manifest aangenomen. “Aan het Vlaams volk! De vrede, trots alles, is in aantocht…”, luidt de wel zeer optimistische aanhef. Het volk wordt opgeroepen om de vredesbeweging te steunen. De vraag wordt gesteld: zullen het lijden en de offers van het Vlaamse volk, voor België getroost, vruchteloos zijn? Zal het bloed der Vlaamse soldaten, die 80 procent van het Belgische leger uitmaken, voor Vlaanderen tevergeefs gestort zijn? Zullen de Vlamingen ook na de oorlog burgers van tweede rang zijn? Zullen de belangen van Vlaanderen verder opgeofferd worden aan die van Wallonië? Het manifest eist de bestuurlijke scheiding, door splitsing van alle ministeries en directies.

De ondertekenaars eisen ook dat in het aanstaande vredesverdrag zou vastgelegd en gewaarborgd worden: al de maatregelen die moeten leiden tot de volledige ontplooiing in eigen taal van de Vlaamse nationaliteit.

De eerste “Raad van Vlaanderen”

46 kandidaten worden door de landdag bekrachtigd als leden van de Raad van Vlaanderen. Dat getal wordt later aangevuld zodat deze eerste “Raad” einde 1917 niet minder dan 81 leden zal tellen. Er worden negen commissies gevormd: buitenlandse zaken; binnenlandse zaken en justitie; bankwezen, geldwezen en handel; arbeid en sociale voorzorg; landbouw; onderwijs en kunst. In een der bijeenkomsten van de Raad wordt afgesproken over de afvaardiging die aan gouverneur-generaal von Bissing de stichting van de Raad van Vlaanderen zal meedelen.

Bij von Bissing en ook te Berlijn zal slechts in algemene termen over de wensen van het Vlaamse volk mogen gesproken worden. De plannen nu reeds blootgeven, zou betekenen dat men onmiddellijk de tegenstand van het Duitse bestuur in het bezette gebied uitlokt.

Daarop zegt dr. J. Libbrecht: “De afvaardiging heeft het recht niet om te spreken in naam van het Vlaamse volk, zelfs niet in naam van al de Vlaamse intellectuelen.” De handelaar Achiel Brijs, een handig maar beginselloos opportunist (van dat slag waren er nochtans zeer weinig onder de activisten) antwoordt: “Het volk staat nog wel niet aan onze zijden, ‘t is waar. Maar wij moeten het desnoods tegen zijn wil trachten te redden. Het is gewenst dat wij onze eigen eisen te Berlijn bekendmaken voor de aanstaande bijeenkomst van de Rijksdag, op 22 februari”. Maar eerst zal men nog ontvangen worden door Von Bissing.

E de V.

Vervolg volgende week: de bestuurlijke scheiding in 1917