Waar een tweetalige Brusselse politie een evidentie zou moeten zijn, is het voldoen aan deze nochtans wettelijke verplichting altijd al problematisch geweest. Meer nog: de laatste jaren blijkt de situatie zelfs te zijn verslechterd.

Het inschatten van een taalfrictie, bij gebrek aan een betere term, heeft vaak alles met de context te maken. Een doorsneeverkoper in een winkel die zich verontschuldigt omwille van zijn/haar gebrekkige kennis van het Nederlands kan in regel op het nodige begrip rekenen van ondergetekende (de arrogante variant, voor alle duidelijkheid, volstrekt niet). Voor jongere beleefde mensen, producten van het befaamde Franstalig onderwijs waar dit land mee begiftigd is, verlaagt men de grens al wat.

Maar hoe anders is dit wanneer verbale contacten met de politie problematisch worden, een gekend hoofdstedelijk probleem. En die gevallen zijn er, niet toevallig, ook in steeds grotere aantallen. In die mate dat men soms het lef heeft gewoon te vragen of het gesprek niet in het Engels kan gebeuren. Terecht vindt men dit onaanvaardbaar, schandalig zelfs. Maar laten we even kijken naar de oorzaken van deze mistoestanden.

Een en ander blijkt alvast uit het antwoord op een parlementaire vraag. Het is misschien ironisch, maar het is uitsluitend een N-VA-verhaal. Vraagsteller was Kamerlid Kristien van Vaerenbergh, de bevraagde minister Jan Jambon en Brusselaar en Vlaams Parlementslid/senator Karl van Louwe gaf er voor een Brussels publiek ruchtbaarheid aan.

Ontbrekend tweetaligheidsattest

Eén cijfer is veelzeggend: het aantal politiemedewerkers dat een bewijs van tweetaligheid bezit, gaat achteruit. In 2006 was hun aandeel nog net geen 70 procent, inmiddels is dat gezakt naar 60 procent. Heel concreet betekent dat dat zo’n 40 procent van de Brusselse politie niet in staat is een gesprek te voeren of een pv op te stellen in zowel het Nederlands als het Frans. Graven we dieper, dan zien we dat het probleem zich vooral aan Franstalige kant situeert. In de politiezone Marlow, bijvoorbeeld, die Ukkel, Watermaal-Bosvoorde en Oudergem omvat, zit het bij 95 procent van de Nederlandstalige effectieven snor. Anders gezegd: ze beschikken over hun tweetaligheidsbrevet.

Haaks hierop staat het resultaat van de Franstalige collega’s: amper 34 procent heeft zo’n document op zak. Tot op zekere hoogte kan de scheeftrekking verklaard worden door grootschalige aanwervingen in 2012. Het was een gekend gebruik dat personeelsleden pas na hun aanwerving bij Selor hun attest behaalden. Alleen gebeurt dat nu in veel mindere mate. De herkomst van de agenten is ook niet vreemd aan het probleem. Bijna de helft van het volledige korps blijkt uit Wallonië afkomstig te zijn. Het overige deel wordt samengesteld uit Brusselaars en Vlamingen, waarbij de laatste groep iets zwaarder doorweegt.

Onderwijs

Misschien leggen we ons iets te gemakkelijk neer bij de problematiek van de Nederlandsonkundigheid van Franstalige ‘landgenoten’. Zeker dan de Walen, waar al jaren een meerderheid voor het Engels als tweede taal opteert. In Brussel blijft het Nederlands verplicht de tweede taal, zij het dat de inkleding ervan doorgaans bedenkelijk is. En zeggen dat het anders kan en zou moeten zijn. Automatisch richt men de blik op het Franstalig onderwijs, waar de sleutel van heel wat problemen ligt. Maar dat is het onderwerp waar we in de nabije toekomst op terugkomen.

KNIN