François Hollande is aan zijn laatste dagen in het Élysée bezig. Niemand is nog geïnteresseerd in de meest onpopulaire president van de Vijfde Franse Republiek. Ook in het verleden waren de laatste dagen van de president van Frankrijk nooit een lachertje: eenzaamheid, ziekte, frustratie… Er lijkt wel een vloek op het Élysée te rusten.

Hollande zal de komende weken wellicht nog twee keer op de voorgrond treden. Een eerste keer om na de eerste ronde van 23 april zijn keuze voor de favoriete presidentskandidaat bekend te maken. Dat zal – wie het ook is – de tegenstander van FN-kopstuk Marine Le Pen zijn. En dan is er de machtsoverdracht op 17 mei. Hollande is politiek totaal irrelevant geworden. Zijn mandaat eindigt in een sfeer van totale desinteresse.

Het gebeurt zelden dat Franse presidenten het Élysée met opgeheven hoofd verlaten, zo leert een interessant boek van journalisten en historici. ‘Le Deuil du pouvoir. Le cent derniers jours à L’Élysée’ (Perrin, 319 blz.), samengesteld door Alexis Brézet en Solenn De Royer brengt het verhaal van de laatste dagen en weken van negen Franse presidenten.

Misbegrepen de Gaulle, doodzieke Pompidou

De verschillende presidenten van de Vijfde Republiek hebben terecht hun plek in het boek. Sinds de grondwet van de Vijfde Republiek bijna 60 jaar geleden werd ingesteld is de president daadwerkelijk de machtigste man van Frankrijk. Daarvoor had hij vooral invloed, maar weinig macht. De eerste drie portretten van de laatste dagen van ex-presidenten passen daarom misschien niet echt in het boek: Mac-Mahon als president van de Derde Republiek in de nasleep van het Frans-Pruisische conflict van 1870, Albert Lebrun die in 1940 na het debacle door de Blitzkrieg de macht aan maarschalk Philippe Pétain overdraagt, en president René Coty die de Vierde Republiek ten grave draagt wanneer hij er in 1958 niet in slaagt het Algerijnse conflict op te lossen. In de Derde Republiek (1871-1940) en de Vierde Republiek (1945-1958) hadden de eerste minister en vooral de partijen veel meer macht.

Dat veranderde met Charles de Gaulle (1958-1969), al was het einde van zijn presidentschap geen teken van Franse ‘grandeur’. Nadat het ‘carnaval’ (dixit Raymond Aron) van mei ’68 de president bijna ten val had gebracht, wist hij de Fransen opnieuw achter zich te scharen. Maar niet voor lang. Een referendum over een decentralisering en de hervorming van de Senaat in 1969 draaide uit op een referendum voor of tegen Charles de Gaulle. Een meerderheid van de Fransen zei ‘neen’, en de Gaulle trok zich terug in la Boiserie in Colombey-les-deux-Églises. Hij zei daarna vaak dat hij zich misbegrepen voelde door de Fransen.

De laatste dagen en weken in het Élysée van Charles de Gaulles opvolger, Georges Pompidou, waren veel pijnlijker, in alle betekenissen van het woord. Hij leed in 1973 en 1974 aan een zeldzame vorm van leukemie, maar dat werd voor de buitenwereld zoveel mogelijk geheim gehouden. Pompidou zag er vermoeid uit en oogde opgeblazen door de medicatie, maar toen hij op 2 april 1974 overleed, was dat voor velen een verrassing.

Ook François Mitterrand bracht in 1995 zijn laatste weken als president door op het ziekbed. Letterlijk. Sinds eind 1994 ontving hij veel bezoekers terwijl hij te bed lag. De overdracht van de macht aan Jacques Chirac was fysiek zeer zwaar voor Mitterrand. Mentaal was het einde van het presidentschap ook geen lachertje. Zijn verleden als collaborateur van het Vichy-regime werd breed uitgesmeerd. En politiek lag zijn partij, de PS, in de touwen. Minder dan acht maanden na de machtsoverdracht overleed Mitterrand.

Ook Jacques Chirac was ziek toen hij in 2007 de fakkel doorgaf aan Nicolas Sarkozy. Chirac had in 2005 een kleine beroerte gekregen, maar de impact ervan werd steevast geminimaliseerd. Alle aandacht ging naar de tweestrijd om de opvolging, tussen Sarkozy en Chiracs vertrouweling Dominique de Villepin.

President blijven, of campagne voeren?

Valéry Giscard d’Estaing (1974-1981) en Nicolas Sarkozy (2007-2012) waren aan het einde van hun presidentschap kerngezond, maar tegelijk zaten ze vol frustratie. Ze maakten kans op de herverkiezing, maar wilden niet te vroeg in campagnemodus stappen. Ze hoopten dat hun presidentiële allure hen extra procenten zou opleveren. Een jaar voor de verkiezingen van 1981 was Giscard zeker van de zege. Maar een sterke Mitterrand in de televisiedebatten en de tegenwerking van Giscards ex-premier Chirac maakten een nederlaag onvermijdelijk. Giscard, vereenzaamd in het Élysée, nam in een wat belachelijke televisietoespraak afscheid van de Fransen. Na zijn toespraak bleef de camera inzoomen op een lege stoel, terwijl de Marseillaise weerklonk.

Sarkozy dacht in januari 2012 dat een herverkiezing onmogelijk was. Gefrustreerd als hij was, zag Sarkozy dat alle staatshoofden en regeringsleiders die het hoofd moesten bieden aan de financiële crisis de verkiezingen verloren. Maar campagnebeest Sarkozy slaagde erin een sterke inhaalbeweging te realiseren. Uiteindelijk strandde hij op 48,3 procent van de stemmen. De 51,7 procent van Hollande lagen een stuk lager in de peilingen. Hollande zou achteraf gezegd hebben: “Nog twee weken campagne en Sarkozy werd herkozen.”

Salan