Momenteel maken 2.600 burgers en 4.000 militairen deel uit van Europese missies wereldwijd en die focussen vooral op het handhaven van een soms broze stabiliteit in (voormalige) conflictgebieden. Voor de eerste keer publiceerde Europa een verslag over hun activiteiten en de behaalde resultaten. Het gaat enkel over het jaar 2016, waarbij slechts sporadisch wordt gerefereerd naar eerdere jaren. Dat wij van de resultaten niet achterover moeten vallen, blijkt uit de dagelijkse actualiteit. Toch zal de EU burgerlijke en militaire missies blijven uitzenden, want volgens Federica Mogherini  is het Europees potentieel voor buitenlandse actie verre van uitgeput.

De Italiaanse politica Federica Mogherini is de hoge vertegenwoordiger van de EU voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid. De uitvoering van dat beleid ligt bij de European External Action Service (EEAS), zeg maar de diplomatieke dienst van Europa, die wereldwijd een aantal burgerlijke missies en/of militaire operaties beheert ter vrijwaring van de Europese belangen. Europa heeft er namelijk alle belang bij dat het rustig blijft aan de buitengrenzen, en dan zeker in de omliggende landen en de landen die een belangrijke relatie onderhouden met één of meer lidstaten. In veel gevallen worden missies georganiseerd in nauwe samenwerking met de Verenigde Naties, lokale organisaties en ook derde landen, zoals de Verenigde Staten, Canada, Zwitserland en, jawel, Turkije. Uiteraard spelen budgettaire redenen hier een rol, maar zowel de Amerikanen als de Turken houden graag een oogje in het zeil in landen als Kosovo, waar het overgrote deel van de bevolking moslim is en waar nogal wat belangen samenkomen. De Eulex-missie in Kosovo was trouwens de eerste en grootste missie voor rechtshandhaving die de EU in 2008 startte, met bijna 3.000 politiemensen, douaniers en magistraten.

De Europese missies en operaties ondersteunen de gastlanden in de strijd tegen georganiseerde criminaliteit, piraterij en ander onheil. In de meeste gevallen probeert men het juridisch apparaat te versterken, de plaatselijke politie te begeleiden naar professionaliteit en de mensenrechten te doen naleven. Veelal wordt ook de moeilijke strijd tegen corruptie gepromoot en gaat bijzondere aandacht naar de uitbouw van degelijke grenscontroles. Kortom, men tracht de ‘Europese normen en waarden’ te introduceren. Militaire missies staan meer in voor opleiding en veiligheid in (voormalige) conflictgebieden, met de hoop dat op termijn de economische draad met Europa terug kan opgenomen worden. Dat lijkt niet onmiddellijk een gemakkelijke klus, als men de actuele conflicthaarden bekijkt. Europa heeft momenteel burgerlijke missies lopen in Kosovo, Oekraïne, Georgië, Niger, Afghanistan, Somalië en Libië, en twee in Mali en twee in de ‘bezette’ Palestijnse gebieden. Er zijn militaire missies en operaties in Bosnië en Herzegovina, de centrale Middellandse Zee, Somalië, Mali en de Centraal-Afrikaanse Republiek.

Schaarse oogst

In het eerste verslag van de EEAS lijken de bereikte resultaten na zovele jaren, en een behoorlijke smak geld, eerder aan de magere kant. Nemen wij als voorbeeld Kosovo, eenzijdig afgescheurd van Servië en onafhankelijk sinds 17 februari 2008. Niets wijst erop dat de politieke spanningen tussen Kosovo en Servië verminderd zijn. Volgens een ingewijde is Kosovo een schoolvoorbeeld van een land dat volledig wordt geleid door criminelen, waar corruptie en nepotisme op alle niveaus nooit ver weg zijn. De Eulex-missie handhaaft er een beperkte politiemacht met uitvoerende bevoegdheden om de georganiseerde criminaliteit te bestrijden en de daders van oorlogsmisdrijven op te sporen. Na bijna tien jaar blijken de dossiers waarvoor de Europese politiemensen werken nog steeds dezelfde. Slechts enkelingen werden veroordeeld. Het overgrote deel van zaken haalt nooit de rechtbank. Niets daarvan in het verslag. Wel is men erin geslaagd enkele conferenties te organiseren en zogezegd de dialoog tussen Servië en Kosovo te bevorderen. Men verwijst ook naar de recente oprichting van een tribunaal voor oorlogsmisdrijven in Den Haag. Er wordt echter met geen woord gerept over het niemandsland ten noorden van de Kosovaarse stad Mitrovica; een crimineel paradijs in het centrum van Europa, gecreëerd door de politieke patstelling tussen Servië en de overwegend Albanese Kosovaren. Toegegeven: de Europese aanwezigheid in vele landen draagt ongetwijfeld bij tot een zekere stabiliteit, maar grote wonderen vallen niet te noteren.

Zoals voor Kosovo, wordt in het verslag het bilan opgemaakt van de andere missies en operaties. De oogst lijkt daarbij schaars, temeer daar in de meeste conflictgebieden talrijke andere officiële organisaties aan het werk zijn: de Verenigde Naties, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, de NAVO en ontelbare niet-gouvernementele organisaties… Niet zelden lopen ze elkaar voor de voeten en trachten ze met mooie publicaties hun projecten en aanwezigheid ter plaatse te verantwoorden. Hierbij dient vermeld dat de leden van buitenlandse missies, en dan zeker de leidinggevenden, niet onaardig worden betaald. Zij hebben er alle belang bij dat een missie zolang mogelijk loopt en dat hun job behouden blijft bij een eventuele afbouw. Het is een internationaal ‘ons-kent-onswereldje’ waar nepotisme om de hoek loert en waar vaak dezelfde gezichten opduiken. Wie een beetje bekend is met het terrein weet dat de rapportering naar Brussel in die zin met een flinke korrel zout moet genomen te worden. In missies heerst een drukke vergader- en rapporteringscultuur – iedereen rapporteert aan iedereen, desnoods als bezigheidstherapie -, maar negatieve rapporten  bereiken zelden het Schumanplein. Toch is het positief dat iedere missie of operatie in het voorliggend verslag gewag maakt van de ‘geleerde lessen’. In veel gevallen stelt men dat de lokale bevolking, vroeg of laat, de touwtjes zelf in handen moet nemen, maar dat dit proces – zoals in Afghanistan –  jaren kan duren. Pijnpunten zijn vooral corruptie, mensenrechten en gendergelijkheid. De militairen scoren beter omdat zij zich specifiek kunnen richten op opleiding en training, zoals in de meest recente missie in de Centraal-Afrikaanse Republiek, maar ook in landen als Mali en Somalië.

Libië

Mogherini pleit in het verslag voor meer coördinatie tussen burgerlijke en militaire missies. Ze verwijst daarbij naar het Europese actieplan voor verhoogde veiligheid, dat in juni 2016 werd gelanceerd, en thans met mondjesmaat wordt uitgevoerd. In het kader van de migranten- en vluchtelingenproblematiek kunnen we haar geen ongelijk geven. Toch blijft het moeilijk op het terrein. Libië is een treffend voorbeeld; de missie EUBAM (EU Border Advisory Mission) is, omwille van politieke en veiligheidsredenen, in Tunis ondergebracht en kan nauwelijks iets doen. Nochtans lijkt het ons mogelijk om in een land als Libië een gecoördineerde civiel-militaire actie op te zetten om de migranten- en vluchtelingenstroom in te dijken. Talrijke Europese schepen, onder leiding van het Italiaanse vlaggenschip Garibaldi, patrouilleren reeds op de Middellandse Zee in het kader van operatie Sophia. Ze redden de voorbije tijd meer dan 20.000 mensenlevens. Dat zij daarmee rechtstreeks medewerking verlenen aan de mensensmokkelaars, door migranten te importeren naar het Europese vasteland, mag duidelijk zijn. Waarom zou de EU in Libië, of in een ander Noord-Afrikaans land, geen militaire perimeter kunnen opzetten waar potentiële migranten zich kunnen aanbieden, bescherming vinden en toegang hebben tot gezondheidszorg? Het lijdt geen twijfel dat, omwille van een gigantische kostprijs voor infrastructuur en uitbouw, er wel wat diplomatieke moed en geld nodig zou zijn voor dergelijke operatie. Maar misschien kan één en ander gecompenseerd worden door de afbouw van minder zinvolle missies. Trouwens, volgens Federica Mogherini is het  Europees potentieel voor buitenlandse acties nog verre van uitgeput. Wij kijken uit naar het volgende verslag.

RIRO