Praten met Katharina Van Cauteren

2017-14_11_Vancauteren4 (HenkvanCauwenbergh) (Medium)“Waarom zijn Vlamingen zo lachwekkend kritisch voor zichzelf?”

Katharina van Cauteren is de jonge kunsthistorica die The Phoebus Foundation leidt. Deze stichting van Fernand Huts organiseert voor de tweede maal in korte tijd een uitmuntende tentoonstelling in het Caermersklooster in Gent. Na het succesvolle “Voor God & Geld” loopt “Oer”, over de wortels van Vlaanderen. Het kunstzinnige Vlaams patriottisme maakt dat de officiële kunstenwereld de wenkbrauwen fronst.

De socialistische vakbond ACOD mobiliseerde tegen “Oer” met een affichecampagne waar bij het Caermersklooster niks van te merken is. De syndicalisten lusten havenbaas Fernand Huts niet en verwerpen zijn privé-inbreng in de kunstenbranche. De wortels van Vlaanderen kan je ontdekken of herontdekken bij “Oer”, het tweede werkstuk van Fernand Huts en Katharina van Cauteren van The Phoebus Foundation in een bouwkundig juweel van het Patershol, een oude wijk aan de voet van het Gravensteen. De tentoonstelling “Voor God & Geld”, was hun eersteling daar en lokte 70.000 bezoekers naar een pracht van een kunstshow én naar een zalige buurt van Gent die betere tijden kende.

Van Cauteren: “De nieuwe tentoonstelling staat bol van de mooiste schilderijen en kunstvoorwerpen uit het Vlaanderen van de negentiende en de twintigste eeuw, echter is meer dan kunst om de kunst. “Oer” is een panorama van een tijdperk, van een geschiedenis, van een regio. The Phoebus Foundation doet dat zonder complexen, zonder handenwringen over “mag je fier zijn op je afkomst, op het verleden van de gemeenschap waar je toe behoort”, en opent langs de kunst het zicht op een tijdvak.”

‘t Pallieterke: u is jong en heeft reeds mooie tentoonstellingen op uw palmares…

Katharina van Cauteren: “Ik studeerde graag en veel, maar de wereld van de pure wetenschap met het uitzaaien van voetnoten op elke bladzijde, was ik beu en ik zocht een uitlaatklep. Na mijn doctoraat over de Vlaamse schilder Hendrick de Clerck stond ik snel met de voetjes op de grond. Op de dag van je doctorsbul ben je euforisch, echter, de jobs in de kunstgeschiedenis zijn dun gezaaid en ik had nog nooit moeten solliciteren. Hengelen naar een baan ging mij slecht af. Toen ik uiteindelijk een baan vond, compleet met bedrijfswagen en al, was dat buiten de kunstensector. Paul Huvenne, hoofd van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen, redde mij met de vraag of ik curator wou zijn van een tentoonstelling in 2013 over 350 jaar Antwerpse Academie. Ik zei meteen ja, bedrijfswagen of geen bedrijfswagen. De geschiedenis van de Academie was een dikke boterham en leidde tot meer projecten. Aansluitend verhuisde ik bijvoorbeeld werken van onze Rubens per tentoonstelling naar Mumbai in India. The Phoebus Foundation is mijn derde opdrachtgever en vandaag mijn emplooi.”

‘t Pallieterke: de branche van de tentoonstellingen is hard, juist?

Katharina van Cauteren: “Iedereen werkt er naar best vermogen met veel gemotiveerde mensen die van hun hobby een beroep hebben kunnen maken. Dus, het is een wereld vol passie. Wel is het zo dat het publiek land per land andere verwachtingen heeft. Van de directrice van het museum in het Groothertogdom Luxemburg leerde ik dat de Fransen houden van frivoliteiten en weinig tekst en de Duitsers grondiger willen te werk gaan en veel uitleg eisen. Een internationale trend zien is moeilijk, wel is er kruisbestuiving. Twee musea leerden mij veel en staan symbool voor wat ik op het oog heb. Arnoud Odding van het Rijksmuseum Twente heeft die locatie, in Nederland een uithoek, een smoel gegeven. Hij bouwde het Rijksmuseum uit tot een plek die tentoonstellingen brengt op internationaal peil. Ten tweede ben ik gecharmeerd door het werk van een Amerikaanse collega-vriendin in Denver in de staat Colorado, bij een zeer toegankelijk museum waar het bezoek geen corvee is. De bezoekers krijgen er goesting om terug te komen, zij worden gekieteld.”

‘t Pallieterke: “Voor God & Geld” prikkelde de goesting; komen de vorige bezoekers terug?

Katharina van Cauteren: “Dat is zeker de bedoeling, “Oer” is nog meer een belevenis, want de volumeknop is hoger gedraaid. Ik wil verhalen vertellen en de tentoonstelling opent met een doek van Emile Claus met een dromerig meisje aan de Leie. Voor mij is een tentoonstelling een beetje zoals een boek. Het eerste werk dat je ziet, is als de eerste zin. Die moet je prikkelen en intrigeren. Het ‘Meisje aan de Leie’ lokt je de tentoonstelling in. Ik beoogde een totaalervaring, je wandelt na Claus binnen in een burgersalon van de negentiende eeuw. Die ruimte is helemaal geïnspireerd door een schilderij dat daar ook te zien is. ‘t Is alsof je in het schilderij stapt. De Ensors hangen in een gouden zaal, want Ensor viel voor licht en kleur, en op de vloer ligt een fotografische weergave van het tapijt op de vloer van het Ensorhuis in Oostende. Ensor was een grapjas; hij dolde met zijn collega-schilder Kandinsky over muziek en daarom laten wij in dat salon de melodieën horen die de Oostendenaar componeerde. Edgar Tytgat was gefascineerd door kermissen, draaimolens en volksleute. Wij hebben er een carrousel gebouwd om de feestelijke sfeer van zijn doeken te versterken.”

‘t Pallieterke: het Caermersklooster beleeft eindelijk hoogdagen…

Katharina van Cauteren: “Wat wij daar mogen doen, is een win-winsituatie. Wij zijn ongelooflijk blij met de locatie. Het Caermersklooster zou sluiten als provinciemuseum en overgeheveld worden naar de Vlaamse overheid, omdat de taken van de provincies worden verminderd. De provincie Oost-Vlaanderen wilde haar Caermersklooster stoppen met een apotheose, een klapper. Letterlijk tussen pot en pint stortte gedeputeerde Jozef Dauwe, een studiegenoot van Fernand Huts in Leuven, zijn hart uit en Fernand beloofde hem: “Ik kan die klapper leveren.” Van idee tot uitwerking vergde “Voor God & Geld” een jaar. Wat The Phoebus Foundation onderscheidt van de officiële tentoonstellingsmakers is het korte beslissingstraject. Iedereen staat scherp, en met twee jaar voorbereiding was ik op net hetzelfde resultaat uitgekomen. Het bedenken en maken van “Oer” is begonnen in oktober 2016 en we openden op 14 maart 2017. The Phoebus Foundation heeft veel talent gebundeld, onder meer een scenograaf, een regisseur, de beste belichtingsexperts zonder compromissen te sluiten. Gelijklopend is een boek geschreven over het thema en dat is hard labeur, onstuimig, en dat ligt mij.”

‘t Pallieterke: De Standaard vergelijkt “Oer” met DDR-propaganda en politieke hersenspoeling.

Katharina Van Cauteren (lacht): “Ach, de gedachten zijn vrij. Wij Vlamingen zijn veel te bescheiden, en dat herken ik in dat type van commentaren. Een dergelijke kritiek was er ook, niet enkel in De Standaard, over “Voor God & Geld”. Waarom zijn de Vlamingen zo lachwekkend kritisch voor zichzelf? Ik daag iedereen uit om mij op grove fouten in de selectie en de duiding van onze tentoonstellingen te betrappen. Als in Duitsland of in Italië een tentoonstelling wordt georganiseerd over hun middeleeuwen, dan zal je daar geen beschuldigingen vinden in de kranten in de trant van “allemaal goed en wel, maar hola, de Vlamingen en de Engelsen waren in die tijd eveneens goed bezig”, dus doen wij verdorie niet aan zelfoverschatting. Er werd her en der wat geringschattend geschreven en gewreven over “Voor God & Geld” in een ontkenningskramp, maar inderdaad, voor wie het nog niet wist, in Vlaanderen is een deel van de nieuwe economie, van de vrije markt, van de internationale welvaart begonnen. Wij hebben klaarblijkelijk graag dat zoiets onbekend blijft, dat daarover niks te vinden is in de boekhandels in Londen en New York. Holland geurt terecht met zijn Gouden Eeuw. “Voor God & Geld” was een ontdekking voor de buitenlanders in het algemeen en voor de buitenlandse gasten van Katoennatie die in het Caermersklooster geïnviteerd werden. Mag dat? “Oer” is een verkenningstocht naar ‘wie ik ben’ en die ervaring willen wij ook uitlokken bij de bezoekers. Er schuilt onschuldige nostalgie in naar een tijd zonder Twitter, Linkedin en Facebook. Een wereld die zuiverder, oprechter, voelbaarder is. Ik denk aan de groentetuin van mijn vader, hoe ik daar op zijn ploegje stond en speelde in de zandhoop. Die herkenbaarheid voor de bezoeker streven wij na.”

‘t Pallieterke: is identiteit een besmet woord?

Katharina van Cauteren: “Wij reageren zo verkrampt, angstig. Ik heb geen partijkaart, volg geen partijprogramma en toon simpelweg wie wij zijn of geworden zijn door onze geschiedenis, door ons samenwonen. Als je eeuwen samen bent dan vloeit de cultuur, tot in haar culinaire gedaante, samen in een identiteit. Steek de grens over achter Poperinge en je ziet meteen aan alles de verschillen, de andere identiteit. Is dat een probleem? Neen toch.”

‘t Pallieterke: u vertelt wat Fernand Huts u influistert?

Katharina van Cauteren (vriendelijk doch gedecideerd): “Wat zou het. Fernand Huts waardeert mijn professionalisme en stuurt mij niet. Bijvoorbeeld, de draaimolen bij Tijtgat is mijn idee, hoewel het perfect past bij de baas van Katoennatie. Ik ben geen marionet van Fernand Huts, ook niet wat betreft de duiding, de spirit van de tentoonstellingen, want de stevige wetenschappelijke basis is er na de research. Wij verstaan mekaar goed en ik waardeer de vitaliteit, speelsheid en sympathie voor narren van Fernand Huts.”

‘t Pallieterke: Fernand Huts verzamelt kunst, een typische Vlaamse activiteit?

Katharina van Cauteren: “Inderdaad. Het is verbazingwekkend hoe in dit kleine deel van Europa tientallen verzamelaars boeiende collecties hebben opgebouwd, vaak achter gesloten deuren. Ik kreeg mails van ‘collectioneurs’ die hun beklag maakten dat hun Permeke niet bij “Oer” hangt. Tja. Het verzamelen van kunst gebeurt hier misschien wat te veel achter de coulissen en dan heb je dergelijke tekortkomingen.”

Frans Crols


Een stichting, wadisda?

Katharina van Cauteren is stafchef – een militaire term voor een frêle dame die professionalisme uitstraalt – van The Phoebus Foundation. De naam Phoebus is een synoniem van Apollo, de beschermer van de kunsten, de brenger van het licht. Van Cauteren: “Een kunstenaar brengt licht in het bestaan, toont een lichtend pad. The Phoebus Foundation telt negen medewerkers en wij verhuizen binnenkort van Linkeroever  naar de Italiëlei, niet ver van het hoofdkwartier van Katoennatie. De Phoebus Foundation is een kunstenstichting geïnspireerd op de Angelsaksische foundations à la Getty en de Gulbenkianstichting in Lissabon. Het promoten van de kunsten door bedrijven en personen is in de VSA de normaalste zaak van de wereld, tot in de lift vind je de naam van de gever op de kooideur. In Vlaanderen was de reactie afwachtend, soms achterdochtig, nadat Fernand Huts aankondigde dat hij jaarlijks 8 miljoen euro zal besteden aan de kunsten, wat meer is dan het officiële kunstenbudget. Meer privé-inbreng is de goede weg voor de kunstenbranche, want het verbreedt het draagvlak voor de cultuur in Vlaanderen.”

De kanselarij van The Phoebus Foundation houdt zich bezig met tentoonstellingen en wetenschappelijk onderzoek. Er zijn vaste en freelance-onderzoekers. De stichting heeft zes aandachtsvelden: oude kunst (Memling-Rubens), koptisch textiel, de Cobra-beweging, Vlaamse kunst (van de 19de eeuw tot nu), twintigste-eeuws Latijns-Amerika en havenerfgoed, wat aansluit bij de activiteiten van Katoennatie. Om de twee jaar wordt een internationaal colloquium gehouden over koptisch textiel.


“Wortels zijn zo belangrijk”

Katharina van Cauteren (35) is geboren in Gent, op een steenworp van het Caermersklooster: “Ik geloof in wortels, en, meer nog, in verworteling. Ik woon inmiddels een eindje bij Gent vandaan, maar telkens wanneer ik terug ben in deze buurt, doet mij dat deugd. Studeren deed ik aan de KU Leuven, waar ik later een doctoraatsthesis schreef over een verborgen tijdgenoot van onze grote Vlaamse schilders: Hendrick de Clerck. Kunstgeschiedenis zat niet in de genen van het gezin, wij reisden naar Oostenrijk en Zwitserland, bezochten sporadisch een museum of een traditioneel kerkje, maar zeker niet fanatiek. Lezen deed ik dolgraag. De historische verhalen van Thea Beckman verslond ik, en door die inspiratie ben ik zelf jeugdboeken beginnen schrijven. (lacht) Daar ben ik mee gestopt. Ik las zoveel over het gestolen paneel van het Lam Gods dat die mythe onder mijn vel kroop en mij mede heeft aangespoord om kunstgeschiedenis te studeren, wat ik mij nooit beklaagd heb. Eerst dacht ik aan Germaanse, want taal en letterkunde boeiden mij. Maar uiteindelijk koos ik voor wat ik zelf de minst typische van alle academische opleidingen vond: kunstgeschiedenis. De man die mij sterk boeide tijdens mijn studies was de Nederlander Bernard Aikema, een gastdocent. Hij gaf meeslepend les, was een specialist in de Venetiaanse kunst en haar band met de Nederlanden. ‘t Was zo verfrissend om van hem veel cultuurhistorische informatie te krijgen. Een voorstel volgde om assistente te worden met de verplichting om te doctoreren. De studie van Hendrick heeft mij enkele jaren gekost, maar de smaak kreeg ik pas echt te pakken toen mijn copromotor me dwong om naar Zuid-Duitsland te gaan. In het kleine dorpje Wolfegg bouwde de vorst in de zeventiende eeuw een kunstcollectie op en hij stuurde gezanten rond om artefacten te kopen. Zo zijn er 300 tekeningen van De Clerck beland in dat onbekende dorp. Die kunsthistorische studie was smullen, want op de vellen waren aantekeningen te vinden. Het werd de basis voor mijn proefschrift, en leidde later tot het boek: ‘Politiek & Schilderkunst’ bij Lannoo.”


Tags assigned to this article:
2017-14Op de praatstoel

Related Articles

50 jaar La Grande Vadrouille

Op 8 december was het precies een halve eeuw geleden dat de film La Grande Vadrouille voor het eerst in

Zuur & Zoet

Michiel de Ruyter en slaven Na Zwarte Piet moet nu ook Michiel de Ruyter het in Nederland ontgelden. Volgens weer

UA is niet Charlie

Wie een plakaatje ‘Je suis Charlie’ opsteekt, wordt verondersteld op te komen voor de vrijheid van meningsuiting. De Nationalistische Studentenvereniging