De persvrijheid en het onevenwicht in de verdraagzaamheid

De persvrijheid en het onevenwicht in de verdraagzaamheid

In Nederland is een rel ontstaan over de webstek ‘GeenStijl’. Dit weekend plaatsten 100 vrouwelijke journalisten hun handtekening onder een oproep aan de adverteerders om hun betaalde reclame van de webstek weg te halen. Gezien advertenties het levensbloed zijn van bijna alle moderne media, komt dit dus neer op een vraag vanwege journalisten om een lastige concurrent het zwijgen op te leggen.

“GeenStijl” maakt geen aanspraak op verfijning of goede smaak, zoals u al uit de naam kon afleiden. De webstek geeft zichzelf de ondertitel: “Tendentieus, ongefundeerd en nodeloos kwetsend.” Indien het Vlaamse vooroordeel klopt dat Nederlanders meer recht voor de raap zijn, dan is GeenStijl daar de ultieme bevestiging van. In een scherpe en meestal humoristische stijl mag daar bijna alles gezegd worden, inclusief minder positieve berichten over het gedrag van vreemdelingen.

Sikkeneurige jankwijven

Vooral dat laatste zorgt ervoor dat de erg populaire webstek een doorn in het oog is van de politiek correct pers. Ook over de verhoudingen tussen mannen en vrouwen is GeenStijl allesbehalve subtiel, om het zacht uit te drukken.

Toen journaliste Loes Reijmer van de Volkskrant de webstek verantwoordelijk noemde voor een klimaat van “seksistische complimentjes”, sloeg die terug door een foto van de (mooie) journaliste te plaatsen met volgende vraag aan de lezers: “Zou u haar doen?” Ik ga u de commentaren besparen die op de webstek werden gepost, maar u kunt er zich wel een idee van vormen.

Het incident leverde de spreekwoordelijke stok om de hond mee te slaan. 100 journalistes (“100 sikkeneurige jankwijven”, zoals GeenStijl ze omschrijft) ondertekenden een oproep om de webstek commercieel te kraken. In hun opiniestuk in het NRC-Handelsblad hekelden ze “de vernedering van vrouwen en het racisme” van GeenStijl. Het eerste is de aanleiding, het tweede is de werkelijke reden voor het offensief.

Journalisten en de vrouwelijke waardigheid

Dat het NRC zich leent als wapen voor de moordpoging op een concurrerend nieuwsmedium mag niet verbazen. Sinds 2010 wordt de redactie geleid door de onherstelbaar verzuurde Peter Vandermeersch, de voormalig hoofdredacteur van De Standaard, die in beide kranten liet blijken dat hij vrije meningsuiting eigenlijk alleen geschikt acht voor mensen die het met hem eens zijn.

Terzijde mag het een opvallend gegeven genoemd worden dat links, dat sinds de jaren zestig heeft geschimpt op alle vormen van preutsheid, zich vandaag steeds meer ontpopt tot behoeder van de vrouwelijke seksuele waardigheid. En zich nu zelfs genoodzaakt ziet om te prediken tegen de gevolgen van de verruwing van de seksuele zeden die het zelf op gang heeft gebracht.

De journalistieke kaste is trouwens niet altijd zo gevoelig voor vrouwonvriendelijkheid. In eigen land hebben Het Nieuwsblad en Het Laatste Nieuws de gewoonte ontwikkeld om hun webstek te kruiden met seksueel getinte lokkertjes in de titels of foto’s.

Het Laatste Nieuws plaatst trouwens reeds vele jaren elke dag een hele pagina vol met advertenties voor prostitutie (de eufemistische rubriek “lichaamsverzorging”) en verdient daar miljoenen mee. Maandag mochten we bijvoorbeeld vernemen dat bij Naomi twee meisjes te krijgen zijn voor de prijs van één en, voor de Antwerpse lezers, dat in een huis in de Lange Elzenstraat “hete meiden uw stoutste dromen vervullen”. Het Laatste Nieuws was echter niet te verlegen om vorige maand een artikel te plaatsten met zowaar een aanklacht van de band tussen prostitutie en mensenhandel.

Commerciële moordpoging

De oproep tot boycot van GeenStijl heeft al resultaten. Een aantal grote adverteerders, zoals Grolsch, Ikea en Hak trekt zich terug. We mogen niet onderschatten welke aanslag hier wordt gepleegd. Inkomsten uit reclame vertegenwoordigen de helft van de omzet van kranten en tijdschriften. Bij internetmedia ligt dat percentage zelfs nog veel hoger. Wie een medium afsnijdt van zijn voornaamste bron van inkomsten kan het net zo goed verbieden. “Je suis Charlie” is wel heel snel vergeten in Nederland.

Uiteraard zijn commerciële ondernemingen vrij om te kiezen waar ze adverteren. De meesten hebben trouwens geen politieke filosofie. In theorie zouden reclame-inkomsten dus alle ideologische strekkingen moeten ten goede komen.

In de praktijk werkt het echter niet zo. Kan iemand verklaren waarom de inkomsten uit reclame van bijvoorbeeld dit blad slechts een miniem deel van de omzet uitmaken? Waarom vinden grote bedrijven het geen probleem om te adverteren in De Morgen of Humo, maar kan ‘t Pallieterke zelfs geen advertentieopdracht krijgen van de KBC, de bank waar dit blad nochtans al 50 jaar klant bij is?

Ik heb in een eerder artikel al eens gewezen op het onevenwicht in de politieke tolerantie. Rechts heeft vaak weinig begrip voor de mening van links, maar stelt nooit het recht in vraag om die mening te uiten. Links heeft niet hetzelfde respect voor rechtse opinies. Meningen die door links als storend worden ervaren, kunnen rekenen op hetze, strafwetten en nu ook commerciële boycot.

Het onevenwicht in de verdraagzaamheid

Bedrijven zijn heel gevoelig voor associaties die controverse kunnen veroorzaken. Slimme managers weten dat ze weinig risico lopen wanneer ze in de pas lopen met de politieke meningen van de kosmopolitische elites, ook wanneer hun klanten in meerderheid een andere opinie hebben.

Multinationals als Nike, Google en Netflix kunnen zich publiek kanten tegen de immigratiepolitiek van Trump. Starbucks mag publiek laten weten dat het een groot contingent vluchtelingen in dienst zal nemen. In eigen land kan Schoenen Torfs aankondigen dat voortaan werkneemsters met hoofddoek toegelaten zijn. HEMA mag paaseieren vervangen door verstopeieren en Dreamland mag zwarte pieten vervangen door roetveegpieten. Hoewel de bevolking hun modieuze meningen inzake multiculturaliteit en open grenzen niet deelt, zullen deze bedrijven daar geen commerciële nadelen van ondervinden.

Deze scheeftrekking wordt natuurlijk heel belangrijk wanneer de persvrijheid daardoor aangetast wordt. Bijna alle media zijn voor hun bestaan afhankelijk van commerciële adverteerders. (Dit blad is één van de weinige uitzonderingen, dankzij een zeer trouw lezerspubliek en een flinke portie idealisme vanwege onderbetaalde medewerkers.) Wanneer de bedrijfswereld zijn reclamebeleid laat dicteren door het onevenwicht in de tolerantie die links en rechts voor elkaar betonen, wordt de persvrijheid een lachertje.

Vlaanderen is een overwegend rechts land. Waarom hebben we dan twee linkse kranten (De Standaard en De Morgen) en geen enkele rechtse krant? Het is een situatie die enkel kan blijven bestaan door de veel te grote tolerantie vanwege rechts. De Standaard kan zelfs drie jaar lang een platform bieden aan haatprediker Jahjah, zonder commerciële gevolgen. Indien hetzelfde voorrecht zou gegund worden aan bijvoorbeeld iemand met Vlaams Belang-signatuur zou de hetze en druk op de adverteerders niet lang op zich laten wachten. Zelfs Jahjah sneuvelde uiteindelijk, enkel door een antisemitisch incident, niet door zijn vijandigheid ten aanzien van Vlamingen.

Rechts is veel te braaf.

Jurgen Ceder


Tags assigned to this article:
2017-19ActueelJurgen Ceder

Related Articles

Nieuwe Frans-Algerijnse oorlog

Tegen zijn entourage herhaalde Charles de Gaulle het vaak: “Als ik Algérie Française niet laat vallen, dan leven we straks

Wordt Schotland onafhankelijk?

Op 18 september gaat het grootste gedeelte van de 5 miljoen Schotten zijn stem uitbrengen over de vraag “Moet Schotland

Vluchteling of dienstweigeraar?

Verleden week ontving ‘t Pallieterke een lezersbrief waarin werd beweerd dat veel van de toekomende vluchtelingen in feite dienstweigeraars zijn.