Zou u niet raar opkijken als in onze kranten het bericht opduikt dat duizend schrijnwerkers een petitie hebben ondertekend om te protesteren tegen de “dehumaniserende” uitlatingen van Theo Francken over vluchtelingen? Of hetzelfde, maar dan van duizend postbodes, of duizend tandartsen? Waarom wordt het dan wel normaal gevonden dat duizend “academici” zich het recht aanmatigen om zich te verheffen boven het volk en vanop die hoogte te pontificeren over moraal en de grenzen van wat aanvaardbaar is in de politiek?

Engagement in universitaire toga

Meer dan duizend universitaire academici hebben deze week een petitie getekend met hun eis voor “meer menselijkheid” in het debat over vluchtelingen. Tom van Grieken wordt bij name genoemd, maar het is vooral Theo Francken die wordt geviseerd. Zijn politiek “discours” zou tot de “dehumanisering” van de vluchtelingen leiden. En dat zou vreselijke gevolgen kunnen hebben: het sluipend gif van dit taalgebruik zou “de democratie kunnen onderuithalen” en ”het meest onmenselijke in mensen naar boven halen.” Het meest onmenselijke!

De inhoudelijke argumentatie van de petitie is pijnlijk zwak, puberaal zelfs. “De emotrip van duizend op hun teen getrapte professoren”, reageerde Mia Doornaert. Ook Maarten Boudry was niet onder de indruk. “Een belabberd werkstuk”, vond hij, “aanstellerij”, “belachelijk” zelfs. Dat neemt niet weg dat meer dan duizend academici het nodig vonden hun naam eraan te verbinden. Ook al vertegenwoordigen zij slechts een fractie van de bijna 40.000 mensen die in deze sector actief zijn, dat is niet weinig.

U mag het begrip “academici” best breed begrijpen: niet alleen professoren, maar elkeen die op enerlei wijze aan onderzoek of onderwijs doet aan één van onze universiteiten. Onder hen uiteraard de gekende kliek van het politiek engagement met academische pretentie: Eva Brems (Groen), Petra de Sutter (Groen), Marc van Ranst, Dirk Voorhoof… Hun naam komt al voorgedrukt op alle protestbrieven. Niettemin zal het op heel wat mensen indruk gemaakt hebben: zoveel slimme mensen die zeggen dat we vreselijk onmenselijk bezig zijn.

Intellect is geen wijsheid

Mijn jeugdig beeld van professoren werd gevormd door Barabas en Gobelijn. Ik vond het toen niet vreemd dat in geen enkel stripverhaal werd vermeld wat hun vakgebied eigenlijk was. Zij waren gewoon “professor”. Dat wil zeggen: zij wisten alles over alles. Mijn kinderlijke visie op academici berustte op hetzelfde idee als de arrogantie van de universitaire elites van vandaag: de misvatting dat hun gespecialiseerde kennis over stamcellen, erfrecht of Russische literatuur hen ergens in staat stelt om gewetensvoller en correcter te oordelen over politieke en morele vragen.

Ik heb mijn beeld al lang bijgesteld. Toen ik ontdekte dat academici buiten hun specialiteit niet meer weten dan u of ik. Maar vooral toen het bij mij daagde dat er één bijzonder terrein is waarop hun mening zelfs meer gewantrouwd moet worden dan die van andere mensen: politiek. Niet omdat de universitaire elites daar minder van begrijpen, maar omdat in hun wereld veel meer obstakels in de weg staan van een visie die gebaseerd is op moed en gezond verstand.

In zijn boek “Intellectuals and Society” analyseert Thomas Sowell de invloed die intellectuelen hebben gehad op het politieke debat in de 20e eeuw. Zijn eindbalans is ronduit vernietigend. Keer op keer zijn hun abstracte en wereldvreemde ideeën over een betere wereld verkeerd gebleken en hebben ze desastreuze gevolgen gehad. “Intellect is geen wijsheid”, vat hij zelf zijn boek samen. Het is ook geen moed, wil ik eraan toevoegen.

Mode en groepsgedrag

In een diepgaande analyse van de Brexit-verkiezingscampagne antwoordde Dominic Cummings (één van de belangrijkste strategen van het winnende kamp) op het verwijt dat vooral lager opgeleiden voor de Brexit hadden gestemd (wat ook onze media graag beklemtonen): “In het algemeen zijn de hoger opgeleiden meer geneigd tot politieke hysterie dan de minder opgeleiden die ver van de macht verwijderd zijn. Waarom? In hun politieke opinies zijn ze meer gedreven door mode, kuddegeest en de drang om zich politiek en moreel aan te stellen. Elk van deze neigingen verhoogt hun cognitieve vooroordelen, moedigt groepsdenken aan en vermindert nauwkeurigheid. Mensen met een lager inkomen daarentegen hebben niet de gewoonte om politieke meningen te uiten om een signaal te zenden of om een goede indruk te maken op de eigen omgeving.”

Cummings voegt eraan toe dat de eerste groep politieke kwesties veel meer als abstracte vraagstukken gaat benaderen, omdat hun inkomen hen toelaat zich te isoleren van de gevolgen van hun politieke keuzes: “Zij leven tussen de emotionele golven binnen hun eigen, nauw verweven, zelfversterkende netwerken. Maar deze golven komen zelden in contact met de buitenwereld.”

Ook Maarten Boudry wijst op het kuddegedrag van academici: “Iedereen heeft recht op vrije mening, ook rectoren. Of het raadzaam was om zich in hun functie uit te spreken over een individueel migratiedossier, weet ik niet. In ieder geval vond ik hun brief een stuk redelijker dan dit gezwollen en pathetische discours over “ontmenselijking”. Ik vraag me af: hoeveel van deze academici hebben de brief gedachteloos ondertekend, zonder grondig te lezen, of gewoon uit groepsdruk of conformisme? Dit is alvast de ironie: de sociale ‘druk’ waarvoor ze waarschuwen, gaat binnen de academia (zeker de menswetenschappen) sowieso de andere richting uit.”

Een school vissen, een roedel wolven, een vlucht regenwulpen, … het Nederlands kent een grote variatie in groepsaanduidingen voor dieren. Voor academici die aan politiek doen stel ik voortaan het woord “kudde” voor. Ik hoop dat dit niet te “dehumaniserend” klinkt.

Jurgen Ceder