De heropening van het Afrikamuseum in Tervuren is de gelegenheid voor alle deugdmensen om hun morele superioriteit te bewijzen. Ze liegen niet alleen over het heden, maar vervalsen ook graag de geschiedenis.

Canvas op zijn slechtst

Ik kom binnenkort terug op de Canvasreeks “Kinderen van de kolonisatie”, een product van luiheid en onbekwaamheid dat zelfs “Kinderen van de collaboratie” overtreft. Wat is er anders te verwachten van een zender die de zwarte raciste Hermans het nonsensboek laat promoten van de Nederlandse oplichtster Gloria Wekker? Die heeft in iedere blanke mens “een cultureel archief” ontdekt dat hem of haar bewust of onbewust altijd tot racist maakt (zelfs de deugdmensen zijn schuldig).

De zender programmeerde ook een documentaire over het Afrikamuseum en zijn stichter, koning Leopold II. “Totems en taboes” (titel met dank aan Sigmund Freud) is een RTBF-product op het intellectuele niveau van het Noord-Korea van West-Europa. De Vlaamse ‘correcte’ historici in het programma mogen wel Nederlands spreken. Uitzondering is de Congolese Vlaming Zana Etambala die het in slecht Frans uitlegt, want “la Belgophonie” mag niet weten dat iemand met een zwarte huid het Nederlands als moedertaal heeft. In het commentaar wordt geregeld de officiële benaming Onafhankelijke Staat Congo gebruikt, terwijl in Vlaanderen altijd de benaming Congo-Vrijstaat gebruikt werd. Uiteraard wordt in die documentaire met ‘een heldere blik’ naar de ‘mythe van humanistisch België’ gekeken, zodat we het cliché van ‘primitief en achterlijk Kongo’ in ons bewustzijn eindelijk achter ons laten.

In werkelijkheid bestaan die mythes alleen nog in de verbeelding van de traditionele media, die iedere Vlaming permanent een schuldcomplex willen aanpraten wegens een ‘onverwerkt verleden’. Al in 1986 produceerde ik negen televisieprogramma’s (“Als een wereld zo groot waar uw vlag staat geplant”) waarin al die hardnekkige mythes van tafel werden geveegd, en er belandde nauwelijks een klacht van oud-kolonialen op mijn tafel. Sindsdien is het aantal studies over Congo bijna niet meer te overzien.

Ongeëvenaard

Bijzonder interessant is het recente boek “Léopold II, potentat congolais” van historicus Pierre-Luc Plasman. Die komt gedetailleerd en met veel nieuwe bronnen terug op de beruchte Congo-Vrijstaat van Leopold II. Dat is de man die volgens die documentaire bijzonder “veel kunstschatten uit Kongo meebracht”, terwijl hij er nooit één voet zette.

Kolonies zijn lange tijd niet populair in de 19de eeuw. Ze kosten meer dan ze opbrengen en in de eeuw van de vrijhandel kan men ze niet meer als afgeschermde markt uitbaten. Stuur je je bevolkingsoverschot ernaartoe, dan eindigt het vroeg of laat in een kostelijke oorlog met de kolonisten, zoals de Britten in de VS en de Spanjaarden in de Zuid-Amerikaanse staten meemaken. Kroonprins Leopold, later koning Leopold II, gelooft niettemin in de economische voordelen van een kolonie, maar als parlementaire monarch staat hij machteloos, want de politici willen niet mee. De wereld is op dat ogenblik, op het binnenland van Afrika na, helemaal ontdekt.

Met expedities (Stanley), met echte en valse zogenaamd internationale verenigingen, met halve en hele leugens creëert hij vanachter zijn bureau een enorme persoonlijke staat: een ongeëvenaard politiek manoeuvre. Natuurlijk gunnen de grootmachten elkaar het gebied niet, maar buiten Frankrijk en het onbetekenende Portugal zijn ze ook niet geïnteresseerd. De laatste staat die Congo-Vrijstaat erkent is … België. De politici in Brussel gaan alleen maar akkoord omdat er sprake is van een personele unie.

Leopold is koning van België, maar wordt ook koning van een eigen staat (hij speelt een tijdje met het idee zich keizer van Congo te laten noemen). De twee staten hebben theoretisch niets met elkaar gemeen. Uit het testament van 1890 blijkt al dat hij zijn staat aan België wil schenken. Leopolds Congo-Vrijstaat is zo groot als Spanje, Portugal, Frankrijk, Italië, Duitsland, Ierland, de Benelux en het Verenigd Koninkrijk bij elkaar. Dat vindt Leopold aanvankelijk wat minnetjes, want lange tijd probeert hij zijn staat uit te rekken van de Atlantische tot de Indische Oceaan, dus dubbel zo groot.

De mythe van Leopolds vlugge rijkdom

Leopold is theoretisch almachtig in zijn staat. Hij bezit zowel de uitvoerende, wetgevende als rechterlijke macht. Toch laat hij al zijn beslissingen mee ondertekenen door zijn Brusselse “Congolese” ministers (al hebben ze de titel staatssecretaris of secretaris-generaal) zoals hij dat ook in België moet doen. Soms weigeren die hun handtekening te zetten en haalt hij bakzeil. Tot het einde van de Vrijstaat in 1908 bestaat de hele “Congolese” administratie in Brussel uit 70 mannen, dikwijls onderbetaald en zonder pensioenrechten. In de Vrijstaat zelf heeft hij ongeveer 1.150 Europeanen in dienst (60 procent Belgen).

Een linkse en derhalve nog altijd bestaande mythe is dat hij Congo uitperst om zo vlug mogelijk persoonlijk rijk te worden, maar dat klopt niet. Hij besteedt enorme kapitalen aan zijn jarenlange obsessie met het zuidelijke deel van Soedan. Zijn Congo moet een deel van de Nijl veroveren, zodat het land een uitweg naar de Middellandse Zee heeft. De Congostroom is immers onbruikbaar door de vele watervallen. Het lukt niet.

Een andere mythe is dat hij van bij de stichting van de Vrijstaat rijk wordt dankzij de oogst van natuurlijk rubber. Maar Dunlop vindt pas drie jaar na de stichting van de Congo-Vrijstaat het procedé uit om rubber voor fiets- en later autobanden te gebruiken, en pas jaren later wordt rubber een commercieel product. In werkelijkheid breekt Leopold bijna zijn nek over de financies. Hij belooft de grootmachten dat iedereen in Congo vrij mag handelen en hij kan geen importbelastingen heffen, maar wel uitvoerrechten. Hij moet echter een duur leger betalen, want de grootmachten eisen dat hij zijn papieren staat in realiteit omzet.

De verovering

De verovering van Congo moet in onze pacifistische tijd met gepaste afschuw worden gemeld, maar als militaire prestatie is het een kunststuk à la Cortez en Pizarro. De ‘correcten’ kunnen niet genoeg het brutale geweld van de Weermacht (de officiële Nederlandse benaming van Leopolds Force Publique) hekelen en suggereren dat het leger zwarte bloedjes als onmachtig vee afslachtte. Dat getuigt van minachting tegenover de Congolese volkeren die zich niet goedschiks naar de Vrijstaat schikken. Verscheidene kolonnes van het leger worden tot de laatste zwarte soldaat en Europese officier uitgeroeid.

Aanvankelijk zijn de officieren Italianen en komen de soldaten uit West-Afrika. Later rekruteert de koning jonge (soms weinig belovende) Belgische officieren die hun hachje willen wagen, en velen laten het leven, zoals Lippens en De Bruyne (standbeeld in Blankenberge). De soldaten worden voortaan in Congo gerekruteerd. Iedere eenheid moet zoveel mogelijk soldaten uit verschillende volkeren bezitten die nooit in de eigen regio mogen dienen. Ze worden keihard gedisciplineerd en brutaliseren in opdracht en met plezier grote delen van het land, een traditie de het huidige Congolese leger nog altijd respecteert. Soms vermoorden ze tijdens muiterijen hun eigen officieren. De verovering duurt bijna acht jaar (het Zande-volk geeft pas op in 1912) en dat brengt Leopold aan de rand van het bankroet.

Jan Neckers