De geschiedenis van Congo-Vrijstaat blijft voor altijd verbonden met de gewelddadige rubberoogsten, al worden die tegenwoordig vooral opgerakeld om de huidige generatie een ‘racistisch’ schuldcomplex aan te praten.

Ivoor volstaat niet

Vijf jaar na de stichting van de Vrijstaat is koning Leopold II bijna failliet. Via politieke druk heeft hij onderhands geld in eigen land bijeen gezameld en dank zij een goede relatie met eerste minister Beernaert krijgt hij zelfs een officiële lening. Dat volstaat niet. De Vrijstaat is economisch niet leefbaar, tenzij drastische maatregelen volgen. Grote delen zijn nog in de handen van mohammedaanse Swahili’s als Tippo Tip in het oosten en M’siri in Katanga. De slavenhandel floreert verder. Leopold verafschuwt de slavenhandel, maar ziet ook de mogelijkheden die zijn deugdzaamheid biedt. Op een antislavernijconferentie overtuigt hij de grootmachten dat hij tegen zijn wil de vrijhandel moet afschaffen om troepen te betalen, want anders stopt de gesel niet.

In Congo ruiken officieren (vooral Francis Dhanis) hun kans en zij beginnen op eigen houtje een oorlog. Leopold moet volgen. Op papier bezit hij alle bevoegdheden, maar een alleenheerser is altijd afhankelijk van de acties en rapporten die plaatselijke dienaars opsmukken of ronduit vervalsen. De oorlog duurt bijna twee jaar, ontwricht het oosten en het zuiden, maar eindigt met de overwinning van de Vrijstaat, waarna nog bloedige muiterijen en opstanden volgen.

Leopold en zijn medewerkers voeren nog een ander idee uit. Congo is een land van vrije negers die vrij hun grond mogen bewerken. Bijna 90 procent van Congo is gezamenlijk gebied van 250 volkeren en stammen die hun weide-, vis- en jachtrechten verdedigen tegen rivalen, maar hun gebied nooit op zijn Europees in privéstukjes verdelen. Dus doopt Leopold al dat gezamenlijk land om tot ‘privédomein,’ een misleidende naam voor staatsgrond.

Voor zijn persoonlijke inkomsten reserveert hij het ‘kroondomein’ met tien keer de oppervlakte van België. De belangrijkste inkomsten van de Vrijstaat komen voort uit de inzameling en verkoop van ivoor en daar begint het kwaad. Congo is verdeeld in reusachtige districten en die zijn weer onderverdeeld in zones, sectoren en posten. In die posten (nog altijd zo groot als een Vlaamse provincie) reist een vertegenwoordiger van de koning rond die officier (dikwijls het origineel beroep), rechter en vooral belastingontvanger is.

Die mannen zijn avonturiers, want ze weten dat ze 40 procent kans lopen binnen de tien jaar te creperen aan een tropische ziekte. Om hen aan te moedigen krijgen zij een percentage (later via punten en nog later een pensioenregeling) van de opbrengst. In het vaderland werkt dat bij een notaris of een architect, maar in Congo, waar nauwelijks controle is, leidt dat bij sommigen (niet bij allen) tot geweld, misbruik en uitbuiting. Vrij vlug verschijnen artikels over de feiten in de Britse pers. Natuurlijk is dat geen toeval, want Congolees ivoor concurreert met het Britse product uit Indië.

Terreur als verdienmethode

Ivoor helpt Congo niet uit de rode cijfers, maar dan hoort de koning dat er rubberbomen staan in het evenaarsgebied en in een deel van Kasai. Dat op een ogenblik dat de vraag wereldwijd enorm stijgt. De Vrijstaat bezit heel het rubbergebied en schenkt een deel aan twee concessionarissen (o.a. de Anversoise van de latere Antwerpsche Hypotheekkas) in ruil voor de helft van de aandelen voor de koning. In Laken laat Leopold een systeem uitwerken van vrij milde verplichte arbeid voor bewoners van de dorpen in de rubbergebieden.

In de praktijk gaat dat fout op het terrein. De mensen moeten steeds dieper en langer in het woud om de zeldzame lianen te vinden. De vertegenwoordigers van Leopold of de concessionarissen begrijpen onmiddellijk dat ze dank zij hun commissie veel geld kunnen verdienen. In het evenaarsdistrict is de Waalse officier Victor Fiévez de baas. Deze achttienkaraats schurk introduceert terreur als verdienmethode: gijzelingen van vrouwen en kinderen om mannen te dwingen rubber te oogsten, dorpen in brand steken als represaille en te eisen dat soldaten handen afkappen van geëxecuteerde lichamen (soms zelfs van levenden) om hun ijver te bewijzen. Die “handenpraktijk” is niet Congolees, maar hoort tot de gewoontes van het geïslamiseerde oosten van Afrika.

In zijn recente “Léopold II, potentat congolais” vestigt de historicus Pierre-Luc Plasman ook de aandacht op “les petits postes noires.” Overal in het evenaarsdistrict bestaan plaatselijke kleine legerposten die de dorpsbewoners controleren. Zwarte sergeanten en hun soldaten terroriseren de bevolking, persen de mensen af, verkrachten de vrouwen en deinzen niet terug voor moorden en brandstichting. Leopolds ambtenaren zijn maar met honderd in het evenaarsgebied en hebben soms schrik van hun eigen soldaten, maar profiteren ook graag van de inkomsten van de gruwelen.

Natuurlijk blijven ook die misdaden niet verborgen. Rapporten bereiken de belangrijkste ‘Congolese’ minister in Brussel en die brengt de koning op de hoogte. Leopold “betreurt” dat hij geen blanke ambtenaar per kleine post kan aanstellen en richt zelfs een commissie op ter bescherming van de inlanders. De machiavellist in hem benoemt vervolgens drie missionarissen die niet in het evenaarsgebied werken.

Nationale en internationale druk

De belangrijkste winnaars van heel de situatie zijn het Antwerps havenkapitaal en Leopold en zijn Vrijstaat. Bijna 25 jaar nadat de koning Stanley contacteerde en dertien jaar na de stichting van de staat, zijn de rode cijfers eindelijk verleden tijd en stroomt het geld binnen. De eerste rubberoogsten dateren uit 1887, maar pas negen jaar later arriveert het rubber massaal in Antwerpen. De Vrijstaat wordt de op negen na belangrijkste rubberproducent en is niet de nummer één ter wereld, zoals de legende het wil.

Antwerpen profiteert van de handel, maar Liverpool blijft altijd de grootste rubberhaven. Weer komen uit Britse hoek klachten over de onmenselijke toestanden in delen van Congo-Vrijstaat. Dat maakt het Leopold makkelijker om die verslagen af te doen als door broodnijd geïnspireerde concurrentie. Hij erkent dat er misbruiken bestaan, maar dat zijn uiteraard geïsoleerde gevallen. Zoals alle politici is Leopold er immers een meester in alleen te horen wat hij wil horen. Hij laat het ‘Congolese’ gerecht in hoofdstad (tot 1926) Boma de grootste schurk van allemaal vervolgen. Bewijzen zijn aanvankelijk moeilijk te vinden en Fiévez wordt vrijgesproken, keert naar huis en eindigt zijn loopbaan als majoor in het leger.

De internationale, maar ook nationale, druk op Leopold om een einde te maken aan de ellende leidt tot een commissie in 1904 die de onmenselijkheden bevestigt. Het Belgisch parlement constateert dat de reputatie van België schade lijdt en een meerderheid gaat tenslotte akkoord Congo als kolonie in te lijven. De angst is echter groot dat dit zeer veel geld gaat kosten, want rond 1906 zijn er nog nauwelijks rubberbomen te vinden en inmiddels produceren Britten en Amerikanen synthetische rubber. België heeft geluk, want men ontdekt dat Congo bijzonder rijk is aan grondstoffen, zodat de kolonie van 1908 tot 1958 haar eigen kolonisatie betaalt.

Blijft de hamvraag? Wat heeft de Vrijstaat veroorzaakt in Congo? Hoeveel slachtoffers vielen er? Bescheiden antwoord in derde en laatste column volgende week.