Antwerps N-VA-schepen Fons Duchateau (47) was een nobele onbekende toen hij in 2014 de teugels overnam als Antwerps superschepen en OCMW-voorzitter. Nochtans stond de Truiense Antwerpenaar aan de wieg van de N-VA, werkte hij daarvoor voor de VU en werd hij geboren en getogen in de Vlaamse Beweging. “En ik ga er ook in sterven,” lacht hij, “maar nu nog even niet.” Een gesprek met een man die zijn stempel heeft gedrukt op het beleid in Antwerpen en dat wil voortzetten in het Vlaams Parlement.

Een late politieke roeping had Duchateau niet. De man vormde samen met directeur Piet de Zaeger een tandem bij de interne organisatie van de N-VA, die uitgroeide van een – volgens velen – doodgeboren kind in 2001, tot de grootste politieke kracht van Vlaanderen. Het was Bart de Wever die hem plots tot zijn eigen verbazing in het licht trok. “Ik was geen vragende partij, maar De Wever iets weigeren is niet makkelijk.” De nobele onbekende maakte snel naam met een actief tewerkstellingsbeleid voor OCMW-cliënten en hij voerde zijn eigen oorlog tegen sociale fraude. Hij werd de favoriete pispaal van verenigd links. “Asociaal!” en “hardvochtig” waren woorden die aan zijn naam kleefden. Het aantal leefloners daalde echter wel ten voordele van het aantal dat aan het werk ging.

Vandaag is uw beleid verankerd in het Antwerps bestuursakkoord en pakt sp.a graag uit met de resultaten. Een beetje wrang, toch?

Fons Duchateau: Eerlijk? Echt niet. Ik ben vooral blij dat we dit beleid kunnen voorzetten. We hebben meer leefloners aan het werk gezet dan alle andere centrumsteden samen opgeteld. Eigenlijk hebben we niet meer dan onze plicht gedaan en tewerkstelling ernstig genomen. Ik heb het gevoel dat onder het vorige beleid mensen gewoon werden opgegeven. Als een tewerkstellingsprogramma werd opgesteld voor een cliënt, dan was het doel niet om die man of vrouw aan vast werk te helpen. Het was bezigheidstherapie om voldoende arbeidsdagen te verzamelen en van het OCMW naar een werkloosheidsuitkering te evolueren. Je kon sociaal tewerkgesteld zijn en niets anders doen dan jassen ophangen in een theaterzaal. Dat resulteert nooit in vast werk. Het theatergezelschap neemt gewoon een volgende goedkope arbeidskracht aan, en andere werkgevers kunnen niks met die ‘ervaring’. Zo ga je niet met mensen om. Geef ze verdorie een eerlijke kans. De eerste voorwaarde voor ons tewerkstellingsprogramma was dat er toekomstperspectief moet zijn. En we zijn gaan werken met privépartners. Dat werkt dus. Die investeren in een opleiding en geven mensen een stabiele job. Eind vorig jaar hadden we 9 procent minder leefloners in Antwerpen. Ondanks de instroom.

U wou mensen bij hun nekvel grijpen en werk gebruiken als een manier om potentiële leefloners af te schrikken naar Antwerpen te komen. De oppositie steigerde.

Dat heb ik inderdaad eens gezegd, ja. Het klinkt hard, maar ik sta er achter. Trouwens, ik heb gezegd “liefdevol” bij hun nekvel grijpen. Kijk, ik deel het OCMW-cliënteel op in drie categorieën. De eerste groep zijn de ouderen die een leven lang hebben bijgedragen en op de sukkel geraakt zijn. Of mensen van wie de kansen op de arbeidsmarkt om wat voor reden dan ook zeer klein tot onbestaand zijn. We geven die meer geld vanuit de stad, maar dat moet nog beter kunnen. De twee andere categorieën bestaan uit mensen die moeten werken. En dan heb je één groep die niet liever wil dan een vaste job hebben, en een groep die het OCMW als zijn levenslang inkomen beschouwt. Dat laatste is onaanvaardbaar. Wie niet wil werken, moet ook zijn leefloon inleveren. Dat is niet hard, dat is logisch. We gaan een contract aan met die mensen. Jij levert inspanningen en wij doen er alles aan om je voldoende ervaring en opleiding mee te geven voor op de arbeidsmarkt. Het leefloon is niet de essentie van dat contract. Werk is de essentie. En wie denkt dat hij zijn deel niet moet doen, kan maar beter niet in Antwerpen een leefloon aanvragen. Dus ja, werk kan afschrikwekkend zijn. Wie er de kantjes vanaf wil lopen, zal beter af zijn in een stad als Gent. Daar is het leefloon wel de essentie, niet werk. Daar zijn het aantal arbeidstrajecten maar 16 procent van wat ze in Antwerpen zijn. Dat kan eigenlijk niet. Als je armoede wilt aanpakken, moet je het Antwerpse model in heel Vlaanderen uitrollen en moet het federale niveau de blokkades hiervoor wegnemen. Daar wil ik in het Vlaams Parlement aan werken, als ik de kans krijg.

In uw categorieën noemt u geen allochtonen?

Ik heb er geen enkel probleem mee om toe te geven dat armoede in Antwerpen en heel Vlaanderen gekleurd is. Je kleur, je afkomst, je religie. Ik heb daar alle respect voor, maar het zijn geen uitvluchten om niet te werken en bij te dragen. En er is bij sommigen een mentaliteitsprobleem. Dat moet je durven zeggen. Van de niet-moslims heeft 84 procent van de 25- tot 35-jarigen werk. Bij de moslimjongeren is dat 43 procent. Die cijfers komen niet van mij, maar van sp.a-wetenschapper Marc Elchardus. Ik weet dat sommigen dat toeschrijven aan racisme, maar dat aanvaard ik niet. Racisme bestaat, maar Vlaanderen biedt ruimschoots kansen aan iedereen. Dat veel jongeren hun school niet afmaken, dat is wél een oorzaak. Dat allochtone meisjes wel goed studeren en hoger opgeleid zijn, maar om culturele redenen niet gaan werken, is een andere oorzaak. Hoeveel gezinnen kunnen rondkomen met één inkomen? Zeer weinig. Dat is een economische realiteit. Maar in het beleid zijn dat geen excuses. Je vervult je deel van het contract.

Volgens Joël de Ceulaer zijn uw methodes en visie een uiting van ‘rauw rechts’. En dan had hij het onder andere over uw jacht op fraudeurs in de sociale huisvesting en mensen die leven van een leefloon.

Ik heb dat ook gehoord. Ik ben een beleefd man en ga niet zeggen wat ik van zijn visie denk. Maar nu moet hij mij eens uitleggen wat er ‘rauw rechts’ is aan iemand die hier een sociale woning heeft en in het buitenland een appartementsblok heeft staan, uit ons sociaal systeem te verwijderen? Daar is nog niemand in geslaagd. Dat zijn geen arme sloebers die tegen de lamp lopen. Dat zijn mensen die middelen stelen die de belastingbetaler voorziet om de sociaal zwakkeren te steunen. Mag je daar nog tegen optreden zonder uitgescholden te worden?

Racisme bestaat, maar Vlaanderen biedt ruimschoots kansen aan iedereen.

We hebben ellenlange wachtlijsten in de sociale huisvesting. We weten dat er mensen zitten die er geen recht op hebben, maar er gebeurt al jaren niks. Steden en gemeenten moeten braaf wachten tot landen als Turkije, Marokko en Suriname bereid zijn om gegevens van hun burgers te delen. Wat ze nooit gaan doen, overigens, want daar hebben ze geen belang bij. Sorry, ik vind dat onaanvaardbaar. Ik heb een proefproject gelanceerd waarbij we mensen naar lokale kadasters sturen en ik stel vast dat we met een ernstig probleem zitten. Uit steekproeven bij een afgebakende doelgroep blijkt 35 à 40 procent eigendommen te hebben in het buitenland. Die lui moeten eruit, én ze moeten hun fraude terugbetalen.

Maar u bent er niet in geslaagd dat systeem sluitend te maken. Volgens minister Ducarme schendt u het beroepsgeheim door gegevens van leefloners en sociale bewoners door te spelen aan derden die uw onderzoek doen. Met andere woorden: fraudeurs blijven straffeloos.

Dat geldt enkel voor mensen die een leefloon trekken. Dat is federale materie. De interpretatie die Ducarme geeft aan het beroepsgeheim, klopt gewoon niet. Als we iemands bankrekening willen controleren, geven we ook informatie door aan derden. Ik vermoed dat hier een een-tweetje speelt met CD&V, dat eerst voor het systeem was, maar door Kris Peeters werd teruggefloten. Maar er is blijkbaar ruimte voor twijfel. Die gaan we met wetgevend werk proberen weg te werken.

Sociale huisvesting is Vlaams en daar kan het wel. Ook dat is een prioriteit waarmee ik naar de verkiezingen trek. Wij hebben de steekproef gedaan in Antwerpen, maar dit is overal in Vlaanderen een probleem. Het kan efficiënter en goedkoper als gemeenten intekenen op een ruimer controlesysteem. Dat wil ik mee op poten zetten. En het maakt mensen nerveus. Ik heb al bezoek gehad van de Turkse consul-generaal, die me heel beleefd vroeg hiervan af te zien. Ik laat me daar niet door intimideren. Dit systeem moet er komen en het moet er snel komen. Socialehuisvestingsmaatschappijen lijden onder die fraude, terwijl mensen die het echt nodig hebben op de wachtlijst blijven. Sommige mensen die we meer dan een halfjaar geleden wilden controleren, zijn sindsdien niet eens thuisgekomen. Hun sociale woning staat leeg. Het is ‘rauw’ idioot om dat goed te keuren.

U heeft ook de oorlog verklaard aan de boerkini. Is dat geen electoraal makkelijke zet?

Ik heb niemand de oorlog verklaard. Het omgekeerde is waar. De groene professor Eva Brems en moslimactivistes hebben de stad voor de rechter gedaagd. Net zoals ze Gent en Merelbeke voor de rechter hebben gedaagd. Mijn reactie daarop was dat ik desnoods naar het Europees Hof ga om dit tegen te houden. En in tegenstelling tot Gent en Merelbeke heb ik de rechtszaak gewonnen. Is dat mijn verdienste, of het gevolg van het feit dat Gent dat niet wilde winnen en een excuus zocht om het in te voeren? Dat laat ik even in het midden. Ik wilde echter winnen en Antwerpen plooit niet. Daar ben ik trots op. De boerkini is geen manier om moslima’s naar het zwembad te krijgen, maar een sterk signaal van de verspreiding van islamisme in onze maatschappij. Wij moeten dat ultieme symbool van discriminatie niet aanvaarden in Europa. Als je respect hebt voor vrouwen, verplicht je ze niet van zich te bedekken. Soms is het zo eenvoudig. Als we hieraan toegeven, dan kan ik u vertellen wat er gaat gebeuren: de islamisten gaan de standaard verleggen van hoe een vrouw zich hoort te gedragen. De boerkini zal evolueren van een geïsoleerd geval, wat het vandaag is, naar de norm voor de goede moslima. En de broodnodige emancipatie van de vrouw binnen die gemeenschap boert opnieuw achteruit. Dat is niet electoraal scoren. Dat is je samenleving verdedigen. Het gaat niet om een lap stof; het is een religieus zwemuniform.

U staat als eerste opvolger op de lijst voor het Vlaams Parlement. Als de N-VA in de regering zit, zit u in het parlement. En u bent ook nog eens een veelgenoemde naam voor het burgemeesterschap. Van een blitzcarrière gesproken.

Ik ben eerste kandidaat-opvolger voor het Vlaams Parlement, en ik hoop inderdaad dat we opnieuw in de Vlaamse regering terechtkomen, om het beleid te kunnen voortzetten. Ik ben geen kandidaat-burgemeester. We hebben een prima burgemeester; niemand moet staan popelen om in zijn schoenen te stappen. Laat de tijd en de verkiezingen hun werk doen.