In zijn nieuwste boek geeft de socioloog Richard Sennett zijn visie op stedelijkheid en de metropool van de toekomst. Sennett mag dan de Amerikaanse nationaliteit hebben, toch staat hij meermaals stil bij de oude Engelse, industriële steden. Met landschapsarchitect Frederick Law Olmsted wandelt de lezer door Liverpool en met communist Friedrich Engels wordt halt gehouden in Manchester.

Richard Sennett (°1943) is de zoon van een Russische immigrant. Hij studeerde geschiedenis en sociologie. Bekend werd hij onder andere voor zijn visie op de arbeidsmarkt. Als socioloog is hij kritisch over het doorgeschoten kapitalisme en de grenzeloze globalisering, waarbij steeds meer mensen uit de boot dreigen te vallen. Niet alleen de toegenomen flexibilisering hoort bij het hedendaagse leven. Ook steden worden – in tijden van een sterk groeiende populatie – steeds belangrijker in de moderne samenleving. De vraag is: hoe houden we onze urbane omgeving leefbaar, terwijl we met steeds grotere groepen van velerlei pluimage samenhokken op steeds kleinere woonoppervlakten?

Metropool van de toekomst

Februari vorig jaar verscheen ‘Building and Dwelling’. Ettelijke maanden later volgde de Nederlandstalige vertaling van het werk: ‘Stadsleven: Een Visie op de Metropool van de Toekomst’. De recensies zijn haast unaniem lovend. Het Vlaamse weekblad ‘Humo’ ziet in Sennett ‘een specialist van de kwalen van het moderne kapitalisme’. In ‘Vrij Nederland’ wordt de socioloog ‘een ziener’ genoemd en het Britse blad ‘The Observer’ looft hem als een ‘briljant denker’. Vernoemde tijdschriften bevinden zich stuk voor stuk aan de tamelijk linkse, progressieve kant van het politieke spectrum. Toch is de visie van de cultuursocioloog, minstens op een aantal vlakken, ook interessant voor diegenen die zich meer zien als rechts en conservatief.

Sennett heeft weliswaar een politiek correcte houding ten overstaan van de multicultuur en het migrantenvraagstuk, maar hij wijst toch op een aantal uitwassen van ons tijdsgewricht, die ook nationalisten nauw aan het hart liggen. Hoe houden we immers de boel nog maatschappelijk bij elkaar? Dat is geen uitsluitend ‘linkse’ dan wel ‘rechtse’ vraag, maar een denkopdracht die iedereen aanbelangt. Een omvattende samenvatting van ‘Stadsleven’ geven, zou het bestek van deze rubriek te buiten gaan. Wel willen we stilstaan bij twee figuren die op het eerste gezicht weinig tot niets met elkaar te maken hebben, zijnde Friedrich Engels en Frederick Law Olmsted.

De gebouwde en de beleefde wereld

In zijn jongste pennenvrucht maakt Richard Sennett een onderscheid tussen ‘ville’ en ‘cité’, twee aspecten die samenhangen en op elkaar inwerken. De ‘ville’ kunnen we beschouwen als de materiële stad; een verzameling gebouwen, straten en bijhorende nutsvoorzieningen. De ‘cité’ is het waardenpatroon dat mensen binnen de ‘ville’ aankleven. We verduidelijken dat met simpele voorbeelden. De tunnels en de smalle wegen zijn tastbare zaken die voor opstoppingen zorgen in het stadsverkeer. De ‘cité’ is de woede van de gejaagde burgers wanneer die ’s ochtends naar hun werk gaan en met hun wagen in het verkeer vast komen te zitten. We voelen de spanning tussen de gebouwde (ville) en de geleefde stad (cité).

Sennett is van mening dat het niet altijd eenvoudig is om de ‘cité’, de gevoelswaarde die de stad bij mensen oproept, te lezen. Het is een probleem dat zo oud is als de steden zelf. Immers, zo schrijft Sennett, ook Friedrich Engels (1820-1895), samen met Karl Marx de auteur van ‘Het Communistisch Manifest’, stootte op dit probleem toen hij Manchester bezocht: “Het was een eigenaardige reis voor een jongeman van vierentwintig. (…) Engels ging naar Manchester om te weten te komen hoe de arme fabrieksarbeiders leefden, liep over straat, stak zijn neus in andermans bordeel, bezocht tavernes en woonde protestantse kerkdiensten bij.”

Het was het smerige en deprimerende Manchester dat Engels ertoe bracht een begrippenapparaat met betrekking tot sociale klassen te ontwikkelen; het klassenbegrip dat zo belangrijk werd in de socialistische en communistische leer. Het was in Manchester waar Engels het begrip ‘proletariaat’ en ‘lompenproletariaat’ uitvond. Engels schreef over zijn bezoek aan de Engelse industriestad een boekje: ‘Die Lage der arbeitenden Klasse in England’. Frederick Law Olmsted (1822-1903), een Amerikaanse landschapsarchitect en generatiegenoot van Engels – ze hebben elkaar nooit ontmoet –, ging postvatten in een andere Engelse industriestad, Liverpool. “Net als Engels begreep Olmsted dat de grote massa het moeilijk had (…) zijn beschrijving van Liverpool is verwant aan Engels’ kritiek op Manchester”, aldus Richard Sennett. Olmsted, die Central Park in New York ontwierp, geloofde dat het creëren van open ruimtes de oplossing zou zijn om verschillende klassen vredevol in een stad te laten samenleven. Parken zouden bijdragen de verschillen in sociale en economische status en zelfs ras te overstijgen.

Het is leerrijk om, dankzij het boek van Sennett, in te zien hoe de sociale wantoestanden in de oude Engelse metropolen de visie op stedelijkheid wereldwijd mee vormgeven, en dat al twee eeuwen.