Ja, het gaat ook ons aan. Niet alleen omdat wij, Zuid-Nederlanders, uiteraard een band hebben met de geschiedenis van Noord-Nederland.  Gevluchte Vlamingen (politieke vluchtelingen, maar dan echte) droegen ook in opmerkelijke mate rechtstreeks bij aan de Gouden Eeuw van de “Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden”. 

Zowel de West-Indische Compagnie als de legendarische Verenigde Oost-Indische Compagnie waren in belangrijke mate een initiatief van Zuid-Nederlanders. Vlamingen zorgden voor de bloei van de textielindustrie van de jonge republiek. Grote talenten als Vondel, Hals, Stevin en Elsevier zorgden mee voor een ongekende opleving van kunst en wetenschap.

Onterecht

Er zijn er nu die onze Gouden Eeuw willen verdonkeremanen. Meer bepaald het Rijksmuseum van Amsterdam heeft besloten om de permanente expo “Hollanders van de Gouden Eeuw” om te dopen naar “Groepsportretten van de 17e eeuw”. Geen Hollanders meer. Geen Gouden Eeuw meer.  De directie vindt dat die periode in “een breder perspectief” moet geplaatst worden en dat echte geschiedschrijving vereist dat “de vele negatieve kanten van de zeventiende eeuw als armoede, oorlog, dwangarbeid en mensenhandel” niet worden genegeerd.

Het argument is even onterecht als onoprecht.

Het is onterecht omdat zowel in de academische wereld, het geschiedenisonderwijs op de scholen en de voorstelling van de geschiedenis in de populaire cultuur al lang de nadruk op de grote westerse schuld is gaan liggen. Wie beweert dat het westen nog met zijn verleden omgaat als een eenzijdige bron van trots, loopt een halve eeuw achter. Integendeel, ‘de andere kant van het verhaal’, die van alle zogenaamde slachtoffers van het boze westen, is geen uitzondering, maar stilaan het dominante thema geworden in de omgang van onze samenleving met de geschiedenis. Het idee dat er ergens een correctie aan de zelfverheerlijking moet komen door een ingeburgerd begrip als “de Gouden Eeuw” te schrappen is dan ook bepaald eigenaardig te noemen.

Onoprecht

In De Standaard was het aan academicus Johan Lievens om de beslissing van het Amsterdams Museum goed te praten. Hij vond het niet kunnen dat er politieke reacties kwamen van onder meer Bart De Wever en de Nederlandse Premier Rutte en foeterde: “Om te beginnen: dit is geen kwestie die politieke agenda’s moet domineren. Het gaat hier om de keuze van een historisch museum om het grote publiek te confronteren met een breder perspectief op de geschiedkundige wortels van de welvaart, de kunst en de wetenschap, waar we – ondanks alles – terecht trots op zijn. Nieuwe inzichten en een dieper historisch begrip brengen, dat moet Rutte en De Wever, beiden historicus van opleiding, toch als muziek in de oren klinken?”

Daar zit dan die geweldige onoprechtheid. De allergie van progressieve intellectuelen als Lievens en de conservator van het Amsterdamse Rijksmuseum voor uitingen van nationale fierheid is uiteraard zuiver ideologisch van aard, maar ze kleden hun politieke zuiveringen van het publieke domein wel liefst in als ‘een zoektocht’ met ‘dieper historisch begrip’.  Mensen die wél een publiek mandaat hebben, worden verzocht zich niet moeien, ook al draaien musea op overheidsgeld.

Witter dan wit

De mening van het volk doet er al helemaal niet toe. Niemand heeft ooit een probleem gemaakt van de term “Gouden Eeuw”, ook niet bij de allochtonen. En toch zijn de fanatici van het weg-met-ons erin geslaagd om het voortaan een beladen term te maken.

Als de politieke motieven van de naamsverandering op zich nog niet manifest genoeg waren, verschafte de directie van het Amsterdam Museum duidelijkheid en stelde dat “de beslissing een stap is in een proces om van het museum een plek te maken die voor iedereen relevant is en waar alle mensen zich welkom voelen.” Geschiedenis, zolang ze maar niet te Nederlands is, dus.

Twee jaar geleden had in Nederland al een gelijkaardige discussie plaats, zij het met minder ruchtbaarheid. Ook toen bleek hoe weinig het offensief tegen het Nederlandse verleden met redelijkheid en afstandelijke geschiedschrijving te maken heeft. Een aantal Nederlandse kunstenaars en intellectuelen ondertekenden toen een oproep om de naam van het Rotterdamse kunstencentrum “Witte de With” te veranderen.

Het centrum is genoemd naar de straat waar het is gelegen en die is genoemd naar een Nederlandse zeeheld uit de 17e eeuw. De ondertekenaars vinden dat het niet kan dat een openbare instelling wordt genoemd naar een man die ook plunderingen op zijn geweten heeft. De krant NRC lichtte evenwel een tipje van de sluier op van een onderliggende reden, die veel verraadt over de irrationele fobieën van onze culturo’s: de nieuwe naam moest er één zijn “die niet klinkt als ‘witter dan wit’”. Niet alleen de onstuimige avonturen van Witte de With (zijn bijnaam bij tijdgenoten was “Dubbelwit”) zijn blijkbaar een probleem. Ook zijn lelieblanke naam wekt ideologische irritatie op.

Cultuuroorlog

Het jaar nadien werd “Witte de With” trouwens ook geschrapt als straatnaam in Eindhoven. Om bij te dragen aan een “gevoel van inclusiviteit”, draagt de betreffende straat voortaan de naam van Barbarossa,… een Turkse zeerover die zich specialiseerde in het roven van blanke slaven op de Zuid-Europese kusten. Zolang de misdrijven begaan werden tegen blanken en westerlingen, is een bijzonder bloedige carrière dus geen struikelsteen voor publieke erkenning. Ze strekt dan zelfs tot aanbeveling.

De discussie over de namen van tentoonstellingen en straten zijn uiteraard geen geïsoleerde schermutselingen, maar gevechten aan het brede front van de cultuuroorlogen, net als discussies over Zwarte Piet, Koranscholen of een geschiedkundige canon. Die oorlogen nemen niet af in intensiteit, integendeel. Ze zullen ook steeds meer het electorale landschap van Europa gaan bepalen.