Midden deze maand opent in de Koninklijke Bibliotheek in Brussel de grootse tentoonstelling met tekeningen en prenten van Pieter Bruegel de Oude. Ook het Snijders&Rockoxhuis in Antwerpen stelt in een expo tekeningen centraal. En die zijn verrassend van de hand van Pieters jongste zoon, Jan Brueghel de Oude.

Jan Brueghel de Oude (1568-1625) was rond 1600 een van de meest succesvolle en invloedrijke kunstenaars uit de Zuidelijke Nederlanden. Hij was hofschilder van de aartshertogen Albrecht en Isabella en hij kreeg opdrachten van keizer Rudolf II en van de Poolse koning Sigismund III.

Jan Brueghel was zeer productief en had de leiding over een groot atelier. Hij kreeg zijn opleiding van zijn grootmoeder Mayken Verhulst, die een verdienstelijke miniatuurschilderes was en hem met waterverf leerde werken. Aan deze opleiding hield Jan Brueghel een passie over voor het minuscuul en perfect weergeven van verschillende soorten stoffen, wat hem de bijnaam Fluwelen Brueghel opleverde.

De internationale faam van Jan Brueghel was het resultaat van zijn innovatieve kunst. Heel wat van zijn schilderijen zijn scharnierpunten die de overgang tussen de zestiende en de zeventiende eeuw illustreren. Rond 1600 evolueerden zijn landschappen van composities naar werkelijkheidsgetrouwe vertolkingen van de nabije wereld, wat zijn cliënteel bijzonder wist te smaken. Ook wat betreft het stilleven was Jan Brueghel een vernieuwer: zijn bloemstukken werden een nieuw genre. Met een precieze techniek wist hij bloemenvazen en bloemenkransen detaillistisch te schilderen. Niet voor niets deed Peter Paul Rubens een beroep op zijn virtuoze vriend Jan Brueghel om landschappen te schilderen rond zijn sensuele naakten.

Een eigen weg in het landschap

We kennen Jan Brueghel de Oude dus vooral als getalenteerd schilder. Als er al eens tekeningen van hem te zien zijn in tentoonstellingen, dan dienen ze vooral als aanvulling op zijn schilderijen. Nochtans beschouwde de kunstenaar zijn tekeningen niet als voorstudies voor zijn schilderijen, maar als autonome werken. Dat blijkt onder andere uit het feit dat hij heel wat van zijn tekeningen signeerde en dateerde.

Jan Brueghel tekende met pen en inkt, soms opgehoogd met aquarel. De kunstenaar wist in zijn tekeningen evenveel accenten te leggen als in zijn schilderijen, wat zijn groot talent onderstreept. De persoonlijke stijl van Jan Brueghel is mooi te zien in zijn getekende landschappen. Hij kende het werk van zijn vader Pieter, maar hanteerde een heel andere aanpak. Pieter Bruegel was tijdens zijn reis naar Italië onder de indruk gekomen van de overweldigende Alpen en hij heeft ze keer op keer verwerkt in zijn wereldlandschappen, die de kracht van de natuur uitstralen. Zoon Jan verlegde de focus van het natuurschoon naar de menselijke cultuur, met een voorkeur voor Romeinse ruïnes. In een latere fase zal Jan Brueghel de bergen bijna volledig achterwege laten. In zijn tekeningen zien we dan vlakke landschappen, waardoor hij zich onderscheidde van vele andere kunstenaars.

Schilderijen als toemaatje

Het Snijders&Rockoxhuis toont niet minder dan 60 van de 140 aan Jan Brueghel toegeschreven tekeningen. De evolutie in zijn tekenstijl wordt geïllustreerd via zes thema’s: herinneringen aan zijn tijd in Italië, rivier- en dorpsgezichten, wegen en reizigers, wouden en kustscènes. De expo eindigt met een aantal van zijn gerelateerde schilderijen, een toemaatje dat in de verf zet dat de tekeningen van Jan Brueghel de Oude op zichzelf staande kunstwerken zijn die extra aandacht verdienen.

Tentoonstelling “Jan Brueghel I, een uitmuntend tekenaar”, van 5 oktober 2019 t.e.m. 26 januari 2020, Snijders&Rockoxhuis, Antwerpen, snijdersrockoxhuis.be