Bijna een eeuw geleden, tijdens de gebeurtenissen die bekend staan als de Armeense genocide, vonden veel Armeniërs die op de vlucht waren voor de Ottomaanse troepen een toevluchtsoord in de Syrische grootstad Aleppo. Hier zouden ze bijna een eeuw lang deel uitmaken van de culturele mozaïek die de stad kenmerkte. Toen de Syrische oorlog uitbrak in 2012 en ook naar Aleppo kwam, was dit een drama voor de Armeense minderheid die er woonde.

In hun strijd tegen de troepen van de Syrische president Bashar al-Assad viseerden verschillende islamitische rebellenorganisaties – die o.a. door Turkije werden gesteund – immers de christelijke minderheden in Syrië. Waaronder dus ook de Syrische Armeniërs. Vanuit het door rebellen bezette Oost-Aleppo werden mortieren en andere projectielen afgevuurd naar de rest van Aleppo. Op deze manier werd bijvoorbeeld de Armeense Veertig-Martelarenkathedraal vernield. In gebieden die in handen waren van de rebellen werden de huizen van christenen geplunderd en hun kerken geruïneerd.

De kathedraal van Stepanakert

Terug naar Armenië

Diezelfde Armeniërs, wier voorouders meer dan honderd jaar geleden vanuit Anatolië naar Syrië waren gevlucht, ontsnapten langs dezelfde route die hun (over)grootouders hadden genomen het oorlogsgeweld in Syrië en trokken naar hun vaderland Armenië. De Armeense overheid verleende staatsburgerschap aan Syrische Armeniërs die hun afkomst konden bewijzen. In de straten van de Armeense hoofdstad Jerevan zag ik dan ook her en der zaken die door Syriërs worden uitgebaat. Toen ik vorig jaar in de Armeense hoofdstad Jerevan was tijdens de herdenking van de Armeense genocide, ontmoette ik ook enkele jonge mensen die vanuit Aleppo naar Jerevan waren getrokken.

Yeva: “Wat Turkije in Syrië heeft gedaan, roept nare herinneringen op aan de genocide. Velen van de Syrisch-Armeense gemeenschap hadden het gevoel dat Turkije kwam afmaken wat het een eeuw eerder was begonnen. Mijn gezin besloot dan ook om voor de oorlog weg te vluchten en ik ben blij dat we in Armenië welkom waren. Ik ken hier veel mensen uit mijn stad en we willen allemaal deze nieuwe kans gebruiken om hier een nieuw leven op te bouwen. Ik denk nog steeds veel aan diegenen van mijn gemeenschap in Aleppo. Want ook al is de oorlog in de stad geëindigd, zij lijden nog steeds.”

De perzikenboom

En terwijl veel Syrische Armeniërs vaak in de Armeense hoofdstad Jerevan blijven, trekken sommigen ook naar Nagorno-Karabach. Dat is een door Armeniërs bestuurde republiek die het centrum is van een decennia oud conflict tussen Armeniërs en Azeri’s. Het wordt als een bevroren conflict beschouwd, maar toch kent het regelmatige opflakkeringen, zoals met de vierdaagse oorlog in 2016. We wandelen door de straten van de hoofdstad Stepanakert en treffen een wagen waarvan de Syrische nummerplaat opvalt tussen de andere wagens. Het restaurant waar hij voor staat geparkeerd, verraadt al meteen wie de eigenaar van de wagen is. In het restaurant ontmoeten we Hovig. Hij verkoopt onder meer shoarma om zijn nieuwe Armeense buren een beetje van het Midden-Oosten te laten proeven. We zetten ons neer aan een tafeltje en hij biedt ons een glas vers perzikensap aan. Zonder toegevoegde suiker, want de vruchten van zijn boom zijn volgens hem al zoet genoeg.

Hovig

Hovig: “Mijn grootvader was de enige van zijn gezin die de Armeense genocide heeft overleefd. Na een lange vlucht belandde hij in Syrië. Een eeuw na zijn gedwongen reis vanuit Anatolië naar Aleppo moest ikzelf jammer genoeg ook op de vlucht slaan. Dezelfde auto die hier voor de deur staat, heeft destijds het leven van mijn gezin gered. Vanuit Aleppo vertrok ik met mijn gezin in mijn auto richting de Turkse grens en hoopten we dat ze ons zouden doorlaten. We huurden een gids die ons door de verschillende rebellengebieden naar de Turkse grens leidde. Gedurende de hele rit moest mijn vrouw mijn jonge kinderen stil houden. Dit omdat we vreesden dat als ze praatten of liederen zongen, onze Armeense identiteit zou worden ontdekt door de rebellen. Ze zouden ons zeker gedood hebben mochten ze te weten zijn gekomen dat we christenen waren. Syrische christenen beschouwen president Assad namelijk als hun beschermer tegen soennitische extremisten. Dat is één van de redenen waarom wij door hen werden geviseerd. Uiteindelijk bereikten we de grens en reden we doorheen Turkije richting Armenië. De hele reis was een beetje onwezenlijk, gezien het besef dat mijn volk destijds vanuit deze gebieden vroeger naar Syrië was gevlucht.”

“Nu hebben we ons hier net als veertig andere Syrisch-Armeense gezinnen gevestigd in Nagorno-Karabach. Wij blijven Syrië dankbaar dat het onze grootouders tijdens hun vlucht met open armen heeft ontvangen, maar volgens mij heeft de Armeense gemeenschap in Aleppo geen toekomst meer. Het inclusieve Syrië waar wij als Armeniërs ook onze plaats in hadden, is door de oorlog verwoest. Ikzelf ben naar Nagorno-Karabach gekomen omdat hier vruchtbare landbouwgrond is en ik hier met mijn gezin mijn leven opnieuw ga uitbouwen. Ook al heerst er hier ook een oorlogsdreiging, ik heb geen angst. Dat klinkt misschien vreemd, maar ik voel me hier veel veiliger dan in Syrië. Maar ik zal altijd Syrië in mijn hart dragen. Als herinnering heb ik vanuit Syrië een perzikenboom mee die ik hier heb geplant. De boom symboliseert mijn nieuw begin, alsook mijn Syrische wortels in Armeense bodem.”