De aanval is vaak de beste verdediging. Dat moeten ze ook bij Unia gedacht hebben. Tijdens de hoorzitting in de Kamer op 5 februari lanceerden Els Keytsman en Patrick Charlier, codirecteurs van de instelling, immers de dringende vraag om meer geld en meer personeelsleden voor hun instelling.

Laten we nog even kort de historiek van Unia schetsen. In 1993 werd het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding opgericht. In 2011 werd dat Centrum gelast met de bevordering en de opvolging van het VN-verdrag inzake de Rechten van Personen met een Handicap. Op 12 juni 2013 werd een samenwerkingsakkoord gesloten tussen de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen met het oog op de oprichting van het Interfederaal Centrum voor Gelijke Kansen en Bestrijding van Discriminatie en Racisme. In 2018 werd Unia geaccrediteerd als nationale mensenrechteninstelling type B bij de Verenigde Naties.

Vlaanderen

Vlaanderen heeft onlangs beslist zich terug te trekken uit het samenwerkingsakkoord. Het betreft volgens Unia “een politieke en ideologische beslissing die niet is gebaseerd op een onderzoek of een audit”. Door deze beslissing zal Unia 10 procent van haar inkomsten derven (ongeveer 800.000 euro). Het samenwerkingsakkoord bepaalt dat elke partij na een periode van telkens drie jaar uit het akkoord kan stappen. Hoe dan ook zal deze stap, overeenkomstig het samenwerkingsakkoord, pas in 2023 daadwerkelijk worden gezet. De recentste termijn liep immers op 15 september 2019 af, waardoor Vlaanderen dus nog drie jaar gebonden is door dat akkoord.

Negen extra personeelsleden nodig

De forse stijging van het aantal dossiers (vooral moslims die klagen, nvdr.) plaatst de Unia-medewerkers voor een grote uitdaging, aangezien de middelen niet dienovereenkomstig toenemen. Unia heeft volgens de codirecteurs minstens 9 voltijds equivalenten (VTE) extra nodig. Keytsman pleit voor een verhoging van de budgettaire middelen van Unia, niet alleen omdat het aantal te behandelen dossiers is toegenomen, maar ook omdat Unia door diverse instanties met nieuwe taken is belast. Ze wijst erop dat de budgettaire middelen volgens het samenwerkingsakkoord moeten zijn afgestemd op de nieuwe taken.

Van de negen voltijds equivalenten zouden er vijf worden gefinancierd door de Federale Staat, twee door het Waals Gewest, één door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en één door de Fédération Wallonie-Bruxelles. Vlaanderen hoeft gelukkig geen extra geld meer op tafel te leggen voor Unia.

Scriptie

Darya Safai (N-VA) had een uitstekend punt tijdens de vergadering. Ze betreurt dat Unia in 2018 de promotor is geweest van een scriptie over “de invloed van het hoofddoekenverbod op adolescente moslima’s” (Kawtar Bakir, bachelorproef, te vinden in de scriptiebank). Volgens het Kamerlid was dat proefschrift niet representatief en niet wetenschappelijk onderbouwd. Er stond niets in over sociale druk en over de theologische aspecten.

Keytsman bevestigt dat Unia die studente heeft begeleid bij haar scriptie. “Unia begeleidt vaker studenten, de conclusies in hun scriptie zijn niet noodzakelijk het standpunt van Unia.” De opmerking van Safai was zeker een voltreffer. Heeft Unia dus meer personeelsleden nodig om subjectieve eindwerken van moslima’s te begeleiden?