In een klap ben ik weer een kind van Turkse ouders als ik lees dat een kwart van de kleuters op Vlaamse scholen thuis geen Nederlands spreekt. Berichten als dit, die doen iets met me. Waar de massa aanslaat op “dom”, “ze willen niet integreren” of “er komen veel te veel buitenlanders, zie je, een kwart van onze kinderen zijn al geen Vlamingen meer”, wordt het meest cruciale onderdeel van deze informatie overgeslagen.

Taal is communicatie. Zonder communicatie geen interactie. Zonder interactie geen integratie. Alles begint en eindigt met taal. En de taal die migranten thuis spreken, is nou eenmaal geen Vlaams of Nederlands.

Je kunt op je kop gaan staan, maar migranten zijn de Nederlandse taal niet machtig. Hoe verwacht je dan dat ze met hun kinderen communiceren? De reflex dat ze Vlaams of Nederlands moeten leren, is te kortzichtig: probeer zelf eens na je twintigste een taal te beheersen? Dusdanig goed dat je je kinderen die ‘vreemde’ taal goed kunt leren?

Vastgebonden aan bed

Mijn ouders spraken thuis geen Nederlands. Ze leerden Nederlands. Op hun werk en op cursussen. Mijn eerst taal is Turks. De eerste vier jaar van mijn leven hoorde ik weinig anders dan Turks. Er werden opa’s en oma’s, ooms en tantes uit Turkije ingevlogen om voor mij te zorgen terwijl mijn ouders werkten. Die spraken uiteraard ook geen Nederlands.

Op mijn vierde ging ik voor het eerst naar een crèche van het ziekenhuis waar mijn moeder werkte. Er waren alleen maar Nederlandse kindjes. Ik sprak geen woord – geen enkel woord – Nederlands. En dus schreeuwde ik de hele hut bij elkaar toen de juffen niet begrepen dat ik naar de wc moest en ik als straf aan het bed werd vastgebonden. Ik schijn het hele ziekenhuis bij elkaar geschreeuwd te hebben, waardoor mijn moeder aangesneld kwam. Om mij vervolgens van dat bed los te binden en op de wc te zetten. De juf werd ontslagen: kinderen aan een bed vastbinden is ‘not done’.

Investering in taal

Je kinderen de taal niet leren is ook ‘not done’. Mijn ouders hadden niet de intentie om mij de taal niet te leren, maar wisten dat ze het zelf niet zouden kunnen. Hun standpunt was dat ik het zou leren, zodra ik op school of de crèche zou beginnen. En eerlijk is eerlijk: ik héb de taal geleerd en ik durf te zeggen dat ik het beter beheers dan het gros der Nederlanders.

Nog eerlijker is om toe te geven dat mijn ouders geïnvesteerd hebben in mijn taalvaardigheid. Elk boek dat ik wilde hebben, kreeg ik. Elk plaatje dat ik wilde hebben ook. Daarnaast had ik een eigen tv’tje waarop ik de kinderprogramma’s die er waren na schooltijd kon bekijken. Als klap op de vuurpijl kreeg ik een videorecorder waarmee ik de programma’s kon opnemen en, zoals kinderen eigen is, uitentreuren kon herhalen.

“Nu, meteen, direct is maar één ding van belang: communicatie.”

Toch was ook dat niet genoeg: tot mijn veertiende, zowaar tot op de middelbare school, had ik bijlessen Nederlands. Dankzij mijn lerares Nederlands werd ik wegwijs gemaakt in de Nederlandse taal, zowel in woord als in schrift. Als je ouders migranten zijn, hebben ze geen weet van de kinderliteratuur. Natuurlijk moet er voorgelezen worden, maar mijn ouders hadden geen weet van Pinkeltje of Pluk van de Pettenflet, of überhaupt van het oeuvre van Annie M.G. Schmidt. Het werd een inhaalslag, buitenshuis. Mijn geluk was dat ik taalgevoelig ben. Ik hou van het effect: zonder taal geen communicatie, zonder communicatie geen interactie, zonder interactie geen integratie.

Eerst de eigen taal

Om je een taal eigen te maken, moet je basis goed zijn. De taal die je thuis spreekt, hoor je foutloos te beheersen om een tweede taal te kunnen leren. Mijn ouders kozen ervoor om thuis expliciet geen Nederlands te spreken. In mijn geheugen staat het moment gegrift dat mijn vader tegen me zei: “Jij moet je zusjes corrigeren als ze fouten maken in hun Nederlands. Wij kunnen het niet.” Het is waar: migranten kunnen nog zo een grote woordenschat hebben, het correcte gebruik van ‘hebben’ en ‘zijn’, ‘de’ en ‘het’ is voorbehouden aan ‘native speakers’. En dan nog niet eens aan iedereen.

Is het een probleem dat die kinderen van nu thuis geen Vlaams of Nederlands spreken? Nee. In mijn optiek niet. Wat wél een probleem is, is dat niet geïnvesteerd wordt in de taalvaardigheid en -beheersing van migrantenkinderen. Zonder taal, zonder correct taalgebruik, groeit er een generatie op die niet eens kán functioneren in onze maatschappij, al zou ze het willen.

Verplichte taallessen: vandaag nog

Het niet leren beheersen van het Vlaams of Nederlands, is de grootste misdaad die ouders hun kinderen kunnen aandoen. En als ouders er niet toe in staat zijn, dient de overheid hierop in te springen. In plaats van geld te investeren in kansloze projecten zoals taallessen aan vrouwen en mannen boven de 60, idiote integratietrajecten die niet helpen, iftar-etentjes die niets anders zijn dan capitulatie van het Westen, zou  de overheid geld moeten besteden aan de taalvaardigheid van migrantenkinderen.

Zorg voor buitenschoolse lessen Nederlands, door Nederlandse en Vlaamse leerkrachten. Deze lessen moeten voorrang krijgen op koranlessen met het simpele argument dat die koranlessen in het hiernamaals pas nodig zijn. Nu, meteen, direct is maar één ding van belang: communicatie. En voordat er een politicus op het idee komt dat de Vlaamse of Nederlandse bevolking dan maar een vreemde taal moet leren, omdat ‘we toch willen communiceren’, rest de politiek maar één doel.

Althans, als wij willen dat een kwart van de kleuters van elke generatie óók uitgroeit tot volwaardige bekwame burgers: als de wiedeweerga investeren in verplichte taallessen. Vandaag nog. Want thuis gaan ze het niet leren.