De strijd tegen het virus mag dan al hard en meedogenloos zijn, omgaan met de economische uitdagingen die zich vandaag, morgen en nog overmorgen aandienen is evenmin een sinecure. Maar meer dan de medische aspecten van de crisis, raakt de economische kant de corebusiness van de EU. Toch botst men op oude politieke tegenstellingen. Of de Unie erin slaagt deze te overstijgen, zal bepalend zijn voor de eigen toekomst en zeker die van de eurozone.

Wat de EU verkeerd deed en doet in de aanpak van de coronacrisis binnen de Unie is een discussie waarvan, om even in het jargon van het moment te blijven, de ‘piek’ nog niet bereikt is. Argumenten die benadrukken dat gezondheid geen Europese bevoegdheid is, evolueren tot de stellingen die een gebrek aan logistiek en politiek leiderschap hekelen, maar laten we voorlopig besluiten dat de perceptie vrij negatief is. Er komt echter een tweede kans.

Make or break

Na de medische strijd volgen de economische uitdagingen. De Europese Centrale Bank becijferde dat een lockdown van één maand de economische groei met 2 procent zou verlagen, wat gezien de verwachte groei van 0,8 procent dus neerkomt op een krimp. Drie maanden lockdown zou zelfs goed zijn voor een groeiregressie van 5 procent. De gevolgen van de strijd tegen corona raken simultaan zowel consumptie, productie, handel als investeringen. Dat maakt de situatie toch anders dan bij de financiële crisis van 2008.

Deze vicieuze cirkel doorbreken is de grote uitdaging, wat – zo benadrukken experten – erg moeilijk is door net die lockdown. Pas wanneer deze afgebouwd wordt, kunnen maatregelen hun vruchten afwerpen. “De covid-19-crisis zal de eurozone maken of kraken,” benadrukken enkele economisten, waaronder Thomas Pikkety in een opiniestuk.

Make or break”. En dan kijkt men al snel naar ECB-hoofd Christine Lagarde. Net zoals haar voorganger Mario Draghi in 2012 stelde dat de euro redden zijn belangrijkste doel was, “no matter what”, staat zij voor een zelfde uitdaging. “Onze toewijding aan de euro kent geen grenzen,” verklaarde Lagarde onlangs nog. En dat zal nodig zijn. Verschillende beslissingen werden reeds genomen, voor zover de instellingen in kwestie hiervoor voldoende autonomie hadden. Maar bepaalde politieke tegenstellingen komen steeds terug.

Europees arsenaal

Zo heeft de Europese Commissie besloten de strikte begrotingsregels te milderen, waardoor landen zonder moeilijkheden wat meer in het rood kunnen gaan. De ECB zette dan weer een budget van 750 miljard euro opzij om obligaties van probleemlanden te kunnen overkopen. Tegelijk zoekt men uit wat met het Europees Stabiliteitsmechanisme (EMS) kan gebeuren, toch een spaarpot van 410 miljard euro. Probleem is wel dat steun van het EMS aan strikte voorwaarden gekoppeld is, wat het enthousiasme al enigszins mildert.

Nood breekt wet, hoort men dan vooral in de buurt van de Middellandse Zee. Landen als Spanje of Italië willen maar wat graag de criteria versoepelen. Per slot van rekening is een virus de grote boosdoener, klinkt het, geen onverantwoordelijke overheid of malafide ‘banksters’. Moeilijker liggen de dingen in de Europese Raad, waar de lidstaten mekaar rond de tafel ontmoeten. Want waar men binnen de instellingen mekaar nog wel vindt in een hoger doel, weegt in de Raad het nationaal belang zwaarder door.

Geviseerd Italië

Er zijn natuurlijk bepaalde feiten waar men niet omheen kan. Duitsland heeft een staatsschuld van 60 procent van haar BBP, de Nederlandse zit zelfs onder de 50 procent, terwijl de Italiaanse systematisch is gaan stijgen en met alle coronamoeilijkheden wellicht de kaap van de 140 procent gaat bereiken. De gemiddelde loopbaan van de werkende Nederlander bedraagt 41 jaar, die van de Italiaan 32 jaar. Er zitten bovendien nog meer anomalieën in die Italiaanse economie. Een zwart gedeelte bijvoorbeeld, even groot als de… Portugese.

En toch is het gemiddeld individuele vermogen net groter in Italië dan in Nederland of Duitsland. “Italië is het land van publieke armoede en private rijkdom,” schreef econoom J.K Galbraith in “The Affluent Society” (1958). Makkelijk is het niet om in een dergelijke scheeftrekking solidariteit met grote ‘s’ te verdedigen. “Ik kan niet al mijn geld aan drank en vrouwen uitgeven om u vervolgens om bijstand te vragen,” stelde voormalig Nederlands minister van Financiën Jeroen Dijsselbloem enkele jaren geleden. De uitspraak bleef hem wat achtervolgen, maar ergens heeft hij een punt.

Schulden communautariseren

En dan zijn er de zogenaamde ‘coronabonds’, obligaties die door de EU uitgegeven zouden worden, wat de zuidelijke landen krediet verschaft aan veel gunstigere voorwaarden dan ze gewoon zijn. Want terwijl Duitsland vrijwel gratis leent, kijken landen als Italië, Spanje of Griekenland tegen een zekere rente aan.

De verdeeldheid hierover is een oude wonde binnen de Unie. ‘Noordelijke’ staten als Duitsland, Nederland, Finland of nog Oostenrijk, die de focus op een verantwoordelijke omgang met de staatshuishoudkunde leggen, versus de meer losse Latijnse staten. Nihil novi sub sole.

Zo te zien heeft Duitsland de discussie rond die eurobonds met wat technische argumenten op de lange baan kunnen schuiven. Hier in tijden van crisis in voorzien zou te omslachtig zijn, al was het maar dat de factor tijd geen bondgenoot is. De stelling wordt door menig deskundige onderschreven, alleen is hiermee de discussie rond het communautariseren van de schuld niet verdwenen. Want kijk, daar dient zich weer een nieuw idee aan.

Nieuwe obligaties uitschrijven is misschien niet de goede piste, wel een mechanisme dat erin voorziet dat een deel van de nationale schuld naar een Europees niveau getild wordt. De garantie van terugbetaling wordt dan een zaak van alle EU-lidstaten, en daar is het hem om te doen. Het kind krijgt een andere naam, een andere vorm ook, maar het onderliggende principe blijft hetzelfde. Men hoort ze aan het Binnenhof of aan de oevers van de Spree tot hier vloeken bij de gedachte alleen al.