Enkele maanden geleden geraakte het gruwelijke nieuws bekend dat een chaldeeuws-katholieke vrouw, die samen met haar man haar geboortedorp wou herbouwen, werd vermoord in Turkije. Het voorval is één van vele.

Er was geen rechtstreekse vlucht vanuit Brussel naar Mardin, dus vloog ik eerst naar Istanboel en van daaruit naar Mardin. De vlucht vanuit Brussel naar Istanboel was aangenaam. Als zelfbewust christen draag ik altijd een kruisje aan een ketting. Al in Istanboel werd me duidelijk gemaakt dat in het islamitische Turkije christelijke symbolen niet worden gewaardeerd. Bij aankomst diende ik een visum aan te vragen om Turkije binnen te mogen. Toen het mijn beurt was, vroeg de dame uit het loket om mijn paspoort te tonen. Terwijl ik dat deed, viel de eerste kwade blik op mijn gouden kruisje. Ik gaf haar mijn paspoort en ze begon in het Turks te vragen of ik Turks spreek. Ik antwoordde in het Engels: “No, I don’t speak Turkish.”

Warme tussenstop in Istanboel

Ze vond het eigenaardig dat ik wel een Turkse achternaam heb, maar geen Turks spreek. Daarop heb ik haar uitgelegd dat ik een Suryani ben, een christen, en dat ik Aramees spreek. Vroeger moesten wij verplicht een Turkse achternaam aannemen. Vervolgens liet ze een collega komen die mij kwaad aankeek. Hij gluurde op de laptop van de dame en zei: “You are not going to enter Istanbul!” In de wetenschap dat de man daarover niets te zeggen had, vroeg ik waarom. Hij zei niks en vertrok terug. De dame deed teken dat ik moest wegwezen. Ik ben toen terug naar het begin van de rij gestapt om haar weer te mogen spreken. Deze tweede keer keek ze mij niet meer aan en gaf ze me mijn stempel.

Op de luchthaven werd ik de hele tijd in het Turks aangesproken en even vaak heb ik uitgelegd dat ik geen Turk ben en geen Turks spreek, maar een trotse christen ben uit Midyat die Aramees spreekt. De Turken kennen ons onder de naam Suryani, want vroeger waren de benamingen Aramees, Assyrisch en Chaldeeuws strikt verboden.

Op de luchthaven van Mardin, tijdens het wachten op mijn koffer, hoorde ik een groep mensen een paar meter van mij Aramees tegen elkaar spreken. Ze zagen dat ik naar hen aan het staren was en gerustgesteld door mijn gouden kruisje glimlachten ze en begroetten ze me met “Shlomo” (letterlijk ‘Vrede’). Aan de uitgang stonden twee soldaten die zeer boos naar mij keken, hun blik op mijn gouden kruisje gericht. Toen de soldaten dichter kwamen, zag ik ineens mijn familieleden die naar mij toe gelopen kwamen om mij te begroeten. Samen hebben we een taxi genomen tot Midyat zo’n 150 kilometer verder en mijn uitvalsbasis.

Tur Abdin

De eerste bestemming was het Aramese gebied Tur Abdin, waar voor 1914 rond de 25 procent van de bewoners christelijk waren. In het jaar 1927 waren dat er nog maar 0,3 tot 0,4 procent en vervolgens, tijdens de jaren 1980 en ’90, vond er nogmaals een grote campagne plaats om de christenen uit te roeien in het Midden-Oosten. De overlevende families van de genocide van 1915 werden nogmaals verjaagd, vermoord, weggepest. Vandaag leven er nog maar rond de 2.000 christenen.

In het klooster Mor Jakob in Tur Abdin woont nog slechts één monnik: Aho. Begin dit jaar werd de monnik gearresteerd. Over het waarom wilde Aho niets kwijt. De zaak is immers lopende en hij moet nog voor de rechtbank verschijnen. Tijdens het bezoek aan het klooster en de omgeving viel het op dat niemand voor de camera een getuigenis durfde af te leggen over wat er zich in Turkije afspeelt met betrekking tot de christenen. Toen de camera’s uit stonden, kwamen de verhalen echter wel naar boven. Christenen zijn bang van de Turkse regering. Naar eigen zeggen hebben alle publieke uitspraken die ze doen directe gevolgen voor hen.

De voorzitter van de Aramese Beweging voor Mensenrechten, de Nederlander Aziz Beth Aho, bevestigt dat de christenen niets durven zeggen uit schrik voor vergelding. Zelf kende de man wel een aantal mensen uit Midyat die wel graag zouden getuigen. Na ons voorgesteld te hebben en de mensen te verzekeren dat we te goeder trouw zijn en te vertrouwen, was Yuhanna Aktas de eerste van wie ik een interview zou kunnen afnemen.

“Sinds 2016 worden christenen weer aangevallen”

Yuhanna heeft een wijnwinkel. Hij brouwt en verkoopt christelijke wijnen en is geboren en getogen in Tur Abdin. Met spijt in het hart heeft hij er zijn familieleden zien vertrekken in 1980. Volgens hem zag de politieke situatie voor de christenen er tussen 2013 en 2015 goed uit. De christenen werden verwelkomd bij hun bezoeken aan hun thuisdorpen en hadden geen schrik meer. In die mate zelfs dat een deel van hen stilletjes aan terugkeerden. Ze kwamen terug om hun huizen te renoveren en sommige wilden definitief blijven, maar in 2016 verslechterde de situatie opnieuw. De politieke houding veranderde en de christenen werden weer aangevallen. “De laatste jaren is het weer onrustig. Onze mensen spelen met het idee om hun grond opnieuw te verlaten omdat de situatie zo hard aan het verslechteren is. De staat neemt ook weer christelijke gronden in beslag.”

Een andere christen, van wie we de naam uit veiligheidsoverwegingen niet mogen vernoemen, vertelde dat het Turkse leger hen buiten jaagde. “Ze zeiden ons dat als we ons dorp binnen de week niet verlaten zouden hebben, ze ons zouden vermoorden en zouden vertellen dat het de Koerden waren. We hebben daarop ons dorp verlaten en zijn naar Istanboel vertrokken. Ook in Istanboel bleken we als christenen echter niet welkom en daarom hebben we uiteindelijk besloten om naar Europa te vertrekken.”

Exodus uit Turkije

In 1978 stichten radicale Koerden de Koerdische Arbeiderspartij PKK, die autonomie opeist voor de Koerden in Turkije. Na de militaire staatsgreep van 1980 escaleert het geweld in Turkije. In het oosten van het land voert de PKK aanslagen uit op Turkse doelwitten. Het Turkse leger reageert met harde represailles en het Cudigebergte in Zuid-Oost-Turkije wordt de brandhaard van een vuile oorlog tussen Koerdische rebellen en Turkse militairen. De eerste aanslagen van de PKK in oostelijk Turkije vinden plaats in 1984. Hessana, het laatste dorp van de Assyrische christenen aan de voet van de berg Cudi, is op 20 november 1993 ontruimd op bevel van het Turkse leger en het hele gebied van de berg Cudi in zuidoostelijk Turkije is militaire zone, ontoegankelijk voor de vroegere bewoners en verboden voor buitenlanders.

De bewoners van Hessana vluchten net als hun volksgenoten naar het christelijke Europa. De eerste Assyrische gezinnen zijn zich eerder toevallig eind 1970, begin 1980 in België komen vestigen. Het grootste gedeelte van de gevluchte volksgenoten ging eerder naar Zweden, Duitsland, Frankrijk, Nederland en Zwitserland. Onder de benamingen Assyriërs, Chaldeeërs, Arameeërs, Syrische Christenen of Christen-Turken leeft een christelijke gemeenschap van bijna 20.000 personen afkomstig uit Turkije, Syrië, Irak en Iran in België. Ze hebben zich vanaf de jaren ‘80 eerder gesetteld in de regio’s Brussel, Mechelen, Antwerpen en Luik.

Het is pas toen de eerste Golfoorlog uitbrak en in 1993 Hessana verwoest werd, dat er sprake was van een grote toeloop naar Mechelen en Antwerpen. Eind ’94 waren de meeste Hasnaye, de inwoners van Hessana dus, al Turkije ontvlucht. Bijna de helft van alle Hasnaye, ongeveer 500 gezinnen, woont in de regio Mechelen. Verder zijn er nog een 100-tal gezinnen in Antwerpen, Brussel, Luik en verspreid over heel Vlaanderen. In Duitsland wonen er nog eens 250 gezinnen, in Frankrijk 70 gezinnen, in Nederland 30, in Zweden 30 en 20 gezinnen in Turkije en elders in de wereld.

Net als de andere Assyriërs werden ook Hasnaye zonder enige financiële compensatie uit hun dorpen verjaagd. Ze verloren bij hun exodus niet enkel hun gronden en huizen, maar ook hun hele hebben en houden. Vaak werd de vlucht gefinancierd met steun van de familieleden die al in België woonden. Dit heeft de solidariteit en verbondenheid onder deze groep nog meer versterkt. De eerste groep geniet nog steeds veel aanzien en respect bij de laatste groep.

Assyriërs en Chaldeeërs in België

Hasnaye waren naast landbouwers en fruittelers gekend als uitstekende wevers. Zij maakten vooral stoffen uit geitenwol (Kashmir-wol). De meeste mannen van de eerste groep vluchtelingen waren voornamelijk tewerkgesteld in de naaiateliers van de Brusselse textielindustrie en in de komkommer- en tomatenserres van Sint-Katelijne-Waver. Ondertussen zijn de jongeren goed geïntegreerd en in alle mogelijke sectoren actief. Een paar jongeren kozen het muzikale pad en geven als muzikant kleur en stem aan de Assyrische feesten. Heel wat jongeren zijn ook sportief actief. Webmagazine www.shlama.be bericht uitvoerig over enkele geslaagde Assyrische ondernemers in het Mechelse, zoals Melikan Kucam, voorzitter Vlaams-Assyrisch Huis in Mechelen en gemeenteraadslid voor N-VA.

Jakob Kürüm


Begin maart trok Jakob Kürüm, zelf van chaldeeuws-katholieke oorsprong, voor ’t Pallieterke naar Zuid-Oost-Turkije op zoek naar zijn wortels en getuigenissen van christenen in Turkije. Een van de bevindingen van die reis leest u hieronder, maar er volgt meer. Het slotstuk moet een documentaire worden over het lot van de christenen in het Midden-Oosten en in het bijzonder in Hessana, de plaats waar het voor veel christenen in Mechelen allemaal begon.


Hessana, thuisbasis van de meeste Assyriërs en Chaldeeërs in België

Jakob Kürüm bezocht tijdens zijn reis ook Hessana, het geboortedorp van zijn vader in Hessana. Tussen 1979-1984 leefden er 500 gezinnen: zo’n 2.500 christenen, Assyriërs-Chaldeeërs. Het paradijselijke dorpje Hessana werd compleet verwoest in 1993 door de oorlog tussen de Turkse regering en de Koerdische arbeiderspartij PKK. Vandaag leven er nog maar drie personen…

“In het dorpje groeide overal munt, waardoor heel het dorpje naar Mentos rook. Je hoorde hoe het water van de bergen in het dal stroomde. Het water was lauw-warm en smaakte heerlijk. Hessana leek voor mij de plaats waar aarde en hemel één worden. Ik heb nog nooit in mijn leven zo een lekkere zuivere lucht ingeademd en mij zo thuis gevoeld. Ik heb er al aan gedacht om het huis van mijn opa te herbouwen en er jaarlijks op vakantie te gaan, maar welke garantie heb ik dat ze mij niet gaan vermoorden? Het is een te groot risico, dat ziet bijna iedereen uit mijn gemeenschap.”