Jarenlang was hij in eerste instantie politicus, vandaag is hij vooral bezig aan zijn doctoraat. Met Bruno De Wever als promotor verdiept de voormalige ‘eerste burger van Vlaanderen’ zich in de ontwikkeling van het Vlaams-Nationalisme in Limburg sinds de Tweede Wereldoorlog. Het levert een verhaal op dat deels ook met zijn eigen levenspad samenvalt. We spraken doctorandus Jan Peumans over zijn keuze voor de N-VA, de te volgen strategie van zijn partij en het feit dat tal van parlementen het gerust met een pak minder volk kunnen stellen.

Zijn dit de tekenen van het nieuwe normaal na de coronacrisis? Wanneer we Jan Peumans contacteren voor dit interview, stelt hij onmiddellijk voor het gesprek via Skype te voeren. Het gezondheidsverhaal speelt natuurlijk, maar ook tijdsefficiëntie. Het bespaart ons een autorit van tweemaal een ruim uur, dat klopt. Maar we missen hierdoor de kop koffie die zijn echtgenote hem tijdens het gesprek discreet voorschotelt (“Heerlijke koffie”, grijnst hij). We houden die tegoed. Op ons scherm verschijnt een man die een rustig ritme, eigen aan het bestaan van een gepensioneerde, weet te combineren met de noodzakelijke gedrevenheid van een doctoraatsstudent.

Zes jaar geeft hij zichzelf om zijn werkstuk over het Vlaams-nationalisme in Limburgs sinds de Tweede Wereldoorlog af te ronden. Realistisch, maar tegelijk ook strak, zeker omdat hij niet van plan is een minimalistisch pad te bewandelen. “De hele inrichting van mijn bureau is erop afgestemd”, legt hij uit. “Ik heb boeken verplaatst om zoveel mogelijk documenten, studies, thesissen, noem maar op, in de buurt van mijn bureau te ordenen. Ik ben er nu 69, tegen mijn 75 moet het rond zijn.” “Kent u dit?”, vraag hij terwijl hij een poster voor de webcam houdt. Een affiche van de Christelijke Volksunie, dat prille initiatief na de Tweede Wereldoorlog dat uiteindelijk in de Volksunie uitmondde, de partij die Peumans, net als zovele anderen, zou doordringen.

Alvorens we het over uw doctoraat hebben, eerst dit: hoe lopen de dingen voor iemand die zowat een decennium centraal in het politiek gewoel stond?

Erg goed eigenlijk, wat volgens velen verrassend is, te beginnen met mijn vrouw (glimlacht). Nu en dan vraagt ze me wel eens of ik dat allemaal niet mis. En heel eerlijk: nee. Sinds ik geen voorzitter meer ben, heb ik geen twee keer een plenaire zitting gevolgd. Ik ben nog wel gemeenteraadslid hier in Riemst. In het begin van de jaren tachtig werd ik voor het eerst schepen en ik was ook burgemeester. Zoiets zorgt voor een band die ik als eenvoudig raadslid kan behouden, ook al zitten we inmiddels in de oppositie. Daarnaast ben ik voorzitter van het Vlaams Vredesinstituut, een onbezoldigd mandaat voor alle duidelijkheid.

Een tijdje geleden lazen we in De Morgen dat u zelf niet zo hoog oploopt met uw eigen studie Politieke en Sociale Wetenschappen. We citeren: “Dat is geen studie, dat is bezigheidstherapie. Dat was een grote stommiteit, ik had geschiedenis moeten kiezen.” Is dit doctoraat een ‘Wiedergutmachung’?

Ach, zo scherp zou ik het niet stellen. Het heeft eigenlijk geen zin om hier spijt over te hebben, je kan er toch niets aan veranderen. Ik ben alvast blij dat toen ik naar Bruno De Wever stapte met de vraag te doctoreren, hij daar onmiddellijk positief op reageerde. En voor men er van alles achter gaat zoeken: dat ik net hem benaderde heeft niets te maken met het feit dat hij ‘de broer is van’ (grijnst). Mijn interesse voor de Vlaamse Beweging sluit echter perfect aan bij zijn eigen specialisatie. Ik zeg soms al lachend dat ik van Bart naar Bruno ging, maar met Bruno wordt nooit over Bart gesproken (lacht). Het eerste wat we deden, was een onderwerp vinden. Hij suggereerde te focussen op de Volksunie sinds midden de jaren zestig tot de ontbinding, nu al bijna twintig jaar geleden, maar dat zag ik niet zitten. Ik vreesde me in het onderwerp te verliezen. Helemaal in het begin, voor ik naar Bruno stapte, dacht ik aan projecten als de Oosterweel en het draagvlak dat ze bezitten als centraal thema, maar dat liet ik maar voor wat het is. Het naoorlogse Vlaams-nationalisme in Limburg bleek nog een deels onontgonnen terrein te zijn, en dat werd het. Feit is natuurlijk dat ik daar zelf een onderdeel van ben, wat me alert maakt om de dingen toch van op een veilige objectieve afstand te blijven beoordelen. Anderzijds beschik ik net hierdoor over een adressenboekje dat me heel wat nuttig bronnenmateriaal kan opleveren.

U kan terugblikken op verschillende functies: schepen, burgemeester, parlementslid, parlementsvoorzitter… Wat gaf u de meeste voldoening?

Burgemeester is natuurlijk wel bijzonder, maar erg belastend en tijdrovend ook. Zeker in een plattelandsgemeente als deze. Anderzijds vond ik parlementsvoorzitter ook best leuk, hoor…

Regelmatig oogstte u daar wel wat kritiek op. Er werd u voor de voeten geworpen te veel als een schoolmeester op te treden.

Ja kijk, luidruchtige kinderen moeten wel eens op het matje geroepen worden. Als iets me niet zint, heb ik niet de neiging daarover te zwijgen. Precies omdat ik het goed voorhad met het Vlaams Parlement, was ik streng wanneer dat nodig was. Te veel volksvertegenwoordigers tonen te weinig respect voor de collega’s. En als dat gepaard gaat met gewauwel, dan trad ik op; wat mijn plicht was als voorzitter. Precies omdat ik het goed meende in die functie, ben ik ook het pad van de parlementaire diplomatie gaan bewandelen. Via allerhande initiatieven heeft het Vlaams Parlement zich ook internationaal een gelaat aangemeten.

Menig waarnemer is de mening toegedaan dat er gewoon te veel leden in die assemblee zitten…

Het is een analyse die ik volledig deel. Je moet jezelf en je eigen instelling een kritische spiegel durven voorhouden. Met een pak minder verkozenen zou het resultaat niet anders zijn, hoor. Die oefening moet je trouwens ook op andere niveaus durven maken. Neem nu de Senaat. Waarom maakt men geen mooie filmzaal van dat halfrond? (lacht) Of de provincieraad, waar ik zelf in zetelde. Schaf die af en niemand zal een verschil merken.

Laten we een sprong in de tijd maken. Wat was voor u de reden om op de kar van de N-VA te springen?

U kent de geschiedenis van het einde van de Volksunie. Aanvankelijk zat ik in het niet-splitsen-kamp van Johan Sauwens, van wie ik ooit nog adjunct-kabinetschef was. De ploeg rond Geert Bourgeois haalde net geen meerderheid, waardoor ze met een nieuwe partij van start zijn gegaan. En dan zag je al die mensen die ik al zovele jaren kende: Geert zelf natuurlijk, maar ook Frieda Brepoels, Karel Van Hoorebeke, Danny Pieters. Dat waren mijn ‘compagnons de route’ geweest. Meer heb je niet nodig om een mens te overtuigen. (lacht)

U bent wel eens omschreven als ‘een buitenbeentje dat buitenbeentje mocht spelen’ binnen de N-VA. Ziet u dat zelf ook zo?

Eigenlijk niet. Ik ben wie ik ben en kan niet zwijgen, maar als ik dan spreek, merk ik toch dat ik daarmee positieve en negatieve commentaren teweeg breng.

Meer dan eens liet u verstaan dat de grote principes van Vlaamse onafhankelijkheid, die aan de basis van uw partij liggen, erg belangrijk zijn voor u. Maar heeft de N-VA op strategisch vlak niet gefaald? In de regering-Michel stappen was een sociaaleconomische noodzaak, zo werd gepredikt. En de maatregelen die toen genomen gingen worden, zouden automatisch de vraag naar institutionele hervormingen in het Zuiden aanwakkeren. Quod non…

Dat was de piste, inderdaad. Is die regering met die economische aanpak geslaagd? Deels wel. Maar eruit stappen door Marrakesh in de hoop zo te cashen, was een stommiteit. Je vertrekt samen voor de hele rit om zo vlak voor de eindstreep het geweer helemaal van schouder te veranderen. Nu goed, dat cashen is dus slecht afgelopen en we kregen een stevige pandoering.

De kiezer wierp de teerling: samen met het VB kwam de N-VA net niet aan een meerderheid in Vlaanderen. Peilingen lijken die trend te bevestigen, wat sommigen tot dromen zet. Zijn beide niet op mekaar aangewezen nu het experiment Michel niet het verhoopte resultaat opleverde?

Ik ben nooit een fan geweest van het Vlaams Blok en later het Vlaams Belang, maar heb als voorzitter van het Vlaams Parlement wel op correcte wijze met hen samengewerkt. Volksvertegenwoordigers zijn door het volk verkozen en moeten in het parlement ten volle hun rol kunnen spelen. Iets anders zijn hun maatschappelijke visie en denkbeelden. Ik ben het daar niet mee eens. Alleen al met de wijze waarop zij onze directe buren benaderen als potverteerders en profiteurs, ben ik het niet eens. En de transfers in deze afschaffen is een grote groep in de armoede drijven. Dat is geen oplossing, maar ik ben het wel eens over het feit dat transfers naar de andere regio een structurele oplossing moeten inhouden.


Zwart verleden

Jan Peumans heeft nooit een geheim gemaakt over hoe oorlog en repressie zijn familie geraakt hebben. Zo werd een oom van hem, lokaal VNV-verantwoordelijke, tijdens de oorlog op de speelplaats van de school waar hij lesgaf doodgeschoten door leden van het verzet.

Het nazinderende zwart/wit-verhaal was ook een belangrijke reden waarom Jan Peumans voor zijn middelbare schooljaren een eind verderop op internaat werd gestuurd. “Ik ging naar Leuven studeren, kwam terug, ging in een ander dorp wonen, en dat was het dan, denk je”, stelt hij. Maar toen ik begin jaren tachtig schepen werd, hadden sommige het over de “zwarte vijfde colonne” die eraan kwam. “Zelfs mijn jongste zoon Wim, die ook auteur is van mijn biografie, werd destijds op vrij confronterende manier aangesproken over dat familiaal verleden. Nu ja, het zegt meer over die lui zelf, natuurlijk.”


‘t Pallieterke als informatiebron

“Mijn vader zei altijd dat als iets in ‘t Pallieterke staat, het ook klopt”, stelt Jan Peumans. “En daar ging hij ook vanuit als het over mij ging. Pogingen dingen ergens in perspectief te plaatsen of wat te duiden, waren gedoemd om te mislukken (lacht). Dit maar om te zeggen dat ‘t Pallieterke sinds mijn prille kinderjaren een vertrouwd iets is. Het verheugt me trouwens dat inmiddels alle jaargangen gedigitaliseerd werden. Op die manier kan je je een beeld vormen van wat in een gegeven periode leefde binnen de Vlaamse Beweging, wat zeker voor een bescheiden doctoraatsstudent als ik een nuttige informatiebron is.”


Help Jan!

Geld vraagt de voormalige ‘eerste burger van Vlaanderen’ niet, of wat dacht u? Hij deed destijds zelfs zijn beklag dat hij als parlementsvoorzitter maandelijks een te groot bedrag op zijn rekening zag verschijnen. Het is echter een zekere honger die hem kwelt.

Niet in de betekenis van voeding, wel in de vorm van een appetijt naar bronnen en archiefstukken die hem kunnen helpen bij het schrijven van zijn doctoraat over het Vlaams-Nationalisme in Limburg. De oproep werd al via diverse kanalen verspreid, en nu ook langs deze weg. “Mij is het erom te doen de erfenis te bewaren”, legt hij uit. “Wat nuttig is voor mijn onderzoek zal ik gebruiken, maar op termijn zorg ik ervoor dat alles bij het ADVN terecht komt. U kent Jaak Cuppens, in Limburg een haast legendarische Vlaamse Beweger? Hij overleed enkele weken geleden. Uw blad publiceerde ook een in memoriam. Op dit moment ben ik me door zijn archief aan het lezen, maar op termijn vertrekt alles richting ADVN. Maar wie iets zou hebben, al was het maar van een verre oom of tante… Geef gerust een seintje. Het zou te jammer zijn om waardevolle stukken te laten verkommeren op een of andere afgelegen zolder, om finaal in het containerpark te verdwijnen.”

Hoe Jan Peumans contacteren? “Het liefst per mail.” janpeumans@gmail.com / 0475 48 50 91 / Maastrichterstraat 32, 3770 Herderen