Toen eind de 19de eeuw de socialistische Labour-partij in het Verenigd Koninkrijk werd opgericht, richtte die zich expliciet op het groeiende electoraat van stedelijke arbeiders. De partijnaam laat daar ook geen misverstand over bestaan: het Engelse woord “labour” betekent gewoon “arbeid”. Een eeuw lang zou Labour dan ook het gros van zijn stemmen halen bij de “blue collar workers”.

Vandaag niet meer: onderzoek naar het resultaat van de laatste parlementsverkiezingen wijst uit dat 48 procent van de arbeiders gestemd heeft voor de aartsvijand, de Conservatieve Partij van Boris Johnson, vroeger de toevlucht van nobiljons en rijke burgers, terwijl Labour van die groep nog slechts 33 procent kan bekoren. Bij de Britse elite daarentegen doet de “arbeiderspartij” het wel goed. Hoewel Johnson een ruime overwinning behaalde, kon hij op nauwelijks een kwart van de stemmen van de hoogopgeleiden rekenen.

De grote uitwisseling

Deze resultaten zijn des te merkwaardiger in een land dat bekend staat voor zijn rigide klassensysteem. De sociale mobiliteit is er zelfs in de 21ste eeuw nog klein, zo wijzen studies uit. Hoe hebben de twee dominante partijen hun sociologisch kiespubliek zo snel en onopgemerkt kunnen uitwisselen?

Het fenomeen is niet uniek aan het VK. Ook in de rest van het Westen zijn linkse partijen hun vroegere achterban kwijtgespeeld en hebben ze die ingewisseld voor de welgestelden. Bij ons wordt Groen (terecht) gezien als de partij van de rijken, zoals Wouter Van Besien zich in een onbewaakt moment liet ontvallen. De sp.a is de stem van de kleine man al lang kwijtgespeeld aan het VB.

Het vervagen van de oude politieke breuklijn tussen kapitaal een arbeid speelt een belangrijke rol: er bestaat in het Westen nauwelijks nog discussie over de sociale en economische grondslagen van de samenleving.

Nieuwe breuklijnen

In de plaats ontstonden nieuwe breuklijnen rond problematieken zoals milieu, immigratie en gelijkheid. De ideologische keuzes die linkse partijen in deze kwesties hebben gemaakt, waarbij zin voor realiteit wordt opgeofferd aan een opbod van deugdpronkerij, hebben hen vervreemd van hun basis, die in de praktijk de gevolgen moet dragen van hun wereldvreemd radicalisme. Nergens is dat duidelijker dan inzake immigratie, waar de laagst opgeleiden niet de middelen hebben om zich te onttrekken aan de gevolgen op hun woonwijken.

In landen met proportionele kiesstelsels, zoals het onze, leidde mobilisatie rond de nieuwe breuklijnen tot de doorbraak van nieuwe partijen. In Vlaanderen overheersen die al: de drie traditionelen halen er nauwelijks nog een derde van de stemmen.

In landen met een meerderheidskiesstelsel en een tweepartijendominantie, zoals het VK en de VS, hebben nieuwe partijen het moeilijker om door te breken en vertaalt de nieuwe situatie zich gemakkelijker in ideologisch opschuivende partijen (de strekking Johnson-Cummings die het haalt op May) of zelfs regelrechte kaping, zoals de overname van de Republikeinse partij door Trump (met steun van de kleine blanke man).

Overal of ergens

In het gehele Westen is de belangrijkste breuklijn die geworden tussen de “overalmensen” en de “ergensmensen” (de anywheres en de somewheres uit het boek van David Goodhart). De eerste groep is welstellend, hoogopgeleid, kosmopolitisch en neigt naar links-liberale opvattingen, de tweede groep is geworteld en wordt tegenwoordig “sociaal conservatief” genoemd.

De eerste groep is kleiner, maar dominant in de media, de universiteiten en de cultuurwereld. De opvattingen van de tweede groep probeert men zoveel mogelijk te negeren. Het dossier dat opinies van de twee groepen het duidelijkst van elkaar onderscheidt, is dat van de immigratie. De minderheid is er reeds decennia in geslaagd, dankzij haar monopoliepositie in de traditionele media, de opinies van de meerderheid inzake immigratie verdacht te maken, te marginaliseren en uit het debat te houden.

Het internet en de sociale media hebben een einde gemaakt aan dat monopolie. Dat multinationals, geleid door mensen uit de ideologische bubbel van de overalmensen, de heisa over de dood van George Floyd vandaag gebruiken in een poging om de vrijheid van meningsuiting aan banden te leggen op sociale media, is een reactie op die evolutie. De vrijheid van het internet, die een stem heeft gegeven aan de ergensmensen, stoort hen mateloos.

Bourgeoisie op zoek naar zin

Ik denk dat de cynici, die geldgewin als voornaamste beweegreden van de economische top zien, zich vergissen. Het gaat wel degelijk over ideologische overtuiging voor de enen, het bezwijken onder groepsdruk voor de anderen. Moderne CEO’s die obsceen hoge lonen incasseren, zonder verpinken een bedrijf kunnen sluiten en in hun handel in China uiterst inschikkelijk zijn voor alle wensen van de dictatuur, maar zich intussen hevig engageren voor het milieu (“duurzaamheid”), het klimaat of Black Lives Matter, verschillen niet zoveel van middeleeuwse roofbaronnen die tussen twee plundertochten een kerk bouwden of uitgebreide giften aan religieuze doelen deden. In hun houding schuilt zeker schijnheiligheid, maar spelen ook zelfbedrog en zelfs daadwerkelijk idealisme een rol.

Op de opiniewebstek UnHerd maakt Ed West een andere historische vergelijking. De hogere blanke middenklasse die zich nu overgeeft aan politieke correctheid en “The Great Awokening”, die alle sporen van racisme in onze samenleving wil uitbannen, doet denken aan de bourgeoisstudenten die in 1968 stenen gooiden naar de arbeiderszonen bij de politie en aan de burgerij die in 1789 de Franse Revolutie uitvoerde. De zoektocht naar een zinvol bestaan voor hen die niet moeten vechten om te overleven, kan leiden tot ideologische avonturen.

Dat revoluties het werk zijn van de kleine, onderdrukte man is een wijdverbreide misvatting. Ook het zware offensief in de cultuuroorlogen van de jongste weken, in de nasleep van de dood van George Floyd, is in hoofdzaak een poging van elites om hun radicale minderheidsopvattingen op te leggen, een revolte tegen de kleine man die in hun ogen te vrank is geworden op het internet en te opstandig in het kieshokje.