Gepokt en gemazeld in het Vlaamsvoelende verenigingsleven in de hoofdstad, was Luk Van Nieuwenhuysen een van de pioniers van het toenmalige Vlaams Blok. Op ‘zwarte zondag’ werd hij parlementslid, wat hij 18 jaar zou blijven. Op zijn 68ste is hij nog steeds een alert waarnemer van het politieke gebeuren. Met hem spraken we over het Brussel van weleer, Vlaamse passiviteit en hoe het Vlaams Belang (“nog steeds mijn partij”) het best kan meebesturen.

In het begin van de jaren tachtig verhuisde hij met zijn gezin naar Klein-Brabant, maar ergens werd Luk Van Nieuwenhuysen altijd aanzien als een Brusselaar, wat hij ook niet ontkent. Het is onmiddellijk een eerste aanknopingspunt voor ons gesprek. Vele andere zouden volgen…

Wat is precies uw link met Brussel?

Mijn wieg stond in Schaarbeek en wonen deden we in Laken en later Jette. Na mijn huwelijk ging het richting Molenbeek. Eigenlijk kan ik zeggen, zoals Johan Verminnen het in “Brussel” zingt, dat ik hier vrienden had en school liep. (lacht) Het is ontzettend moeilijk om zich vandaag nog de tijd van toen en vooral de tijdsgeest van die jaren voor te stellen. In Laken zaten we met vier in de klas, wat veel zegt over de toestand waarin het Nederlandstalig onderwijs verkeerde. Om schijnbaar opportunistische redenen stuurden heel wat ouders hun kinderen immers naar het Franstalig onderwijs, waardoor ze – althans, zo dachten ze – later meer kansen zouden hebben. Opvallend genoeg veranderde dat na de invoering van ‘la liberté du père de famille’, waarbij je zag hoe meer mensen hun kinderen heel bewust in een Vlaamse school stopten. Tegelijk kon je ook vaststellen hoe de anderstaligen steeds talrijker werden. Het was alvast een van de redenen waarom we besloten in het begin van de jaren tachtig Brussel te verlaten; we hadden toen zelf kinderen die op schoolleeftijd gekomen waren. Ergens in de jaren negentig bracht ik met de Commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement een bezoek aan mijn oude school in Laken. Het leverde me een onthutsend beeld op: aan de lokalen en infrastructuur was niet veel veranderd, maar zowat alle kinderen waren anderstalig en allochtoon geworden. Opvallend hoe een stad op enkele decennia tijd zo ingrijpend kan veranderen.

Golden sixties

U sprak al over die wijzigende tijdsgeest van de jaren ’60, die blijkbaar ook voor een heropflakkering van Vlaamsvoelendheid zorgde?

Absoluut, en je kan dat niet los zien van de grote maatschappelijke veranderingen die toen aan de gang waren. Op diverse domeinen was er een emancipatorische beweging aan de gang en er was echt sprake van een dynamiek in de samenleving. De strijd voor Leuven Vlaams was daar tekenend voor. Via mijn broer, die zes jaar ouder was, belandde ik in de Graaf van Egmont, het Vlaams Huis in de Brusselse binnenstad. Daar waren ook twee jeugdclubs gevestigd: de Conscience- en Reinaert-club. Lid worden kon enkel als je een Nederlandstalige identiteitskaart kon voorleggen. Op die manier hebben we heel wat jongeren gedwongen om naar het gemeentehuis te stappen en een taalwijziging aan te vragen. Dat is de reden waarom ik zelfs als voorzitter van de Conscience-club mijn eigen neef als lid heb geweigerd. (lacht) Er werden tal van acties opgezet en – het moet gezegd – voor heel wat mensen, waaronder mezelf, is de Graaf van Egmont een heus huwelijksbureau geweest. (lacht) De drive die toen ontstond, was erg positief natuurlijk. Maar er kwamen ook tegenkrachten in werking. Het FDF bijvoorbeeld, terwijl je de eerste tekenen van de migratie begon te zien.

Van gastarbeid tot migratie

Op welke manier keek men in die Vlaamsgezinde kringen naar die migratie, die toen nog gastarbeid heette?

Je zag die mensen toekomen en ze gingen aan de slag bij de MIVB of als postbode. Mijn grote bekommernis toen was hun Nederlandsonkundigheid, waardoor ze objectieve bondgenoten van de francofonie waren. Wie had toen kunnen denken dat het allemaal zo’n dimensies zou aannemen? Die evolutie van gastarbeid naar immigratie, met inbegrip van de gezinshereniging, is fataal gebleken. De groep werd zo groot, zelfbedruipend ook, waardoor men in eigen kring kon blijven. In die jaren was de islam trouwens niet het probleem. Vaak had die generatie zelfs een seculiere instelling, want ook dat was de tijdsgeest in de Arabische wereld. Pas later is religie een andere maatschappelijke plaats gaan innemen, ginder én hier.

Wanneer begon voor u het echte politieke engagement?

Aan het eind van de jaren ’60 was ik actief bij VUJO-Jette met Jan De Berlangeer, die toen het enige VU-gemeenteraadslid in de gemeente was. Later zou hij ook de stap naar het Vlaams Blok zetten. In het begin van de jaren zeventig evolueerde ik naar het meer radicale segment van de Vlaamse Beweging en engageerde ik me bij Were Di. De echte stap naar de partijpolitiek kwam er na Egmont, waarna Karel Dillen en Lode Claes met hun respectievelijke partijen van start gingen en mekaar in het Vlaams Blok vonden. Ik behoorde tot de kleine groep van de VNP van Karel Dillen in Brussel. Verwacht werd dat Claes verkozen zou raken in Brussel, niet Dillen in Antwerpen, maar het omgekeerde gebeurde. Wat als het anders zou zijn gelopen? Het is voer voor contra-factuele geschiedschrijving. (glimlacht)

Egmontpact

Men kan zich vandaag nog maar moeilijk voorstellen hoezeer het Egmontpact verdeelde in die jaren?

Absoluut, maar niet enkel binnen de VU, ook in andere partijen, om nog maar te zwijgen van de media. Iemand als Michiel Vanden Bussche (SP) was erg gekant tegen de drieledigheid waarop het pact berustte. Voor André Monteyne was het een reden om de VU te verlaten en naar de toenmalige PVV over te stappen. Journalisten als Marc Platel of Manu Ruys droegen bij tot de keldering van het pact. Ik denk dat enkel Frans Verleyen van Knack er een voorstander van was.

Uw politiek engagement vertaalde zich in een lange tocht door de woestijn. En toen kende het land zijn eerste ‘zwarte zondag’…

24 november 1991 was een kantelmoment in de Belgische politiek. Niet alleen kwamen wij als Vlaams Blok aan de kaap van de 10 procent, maar er was ook het succes van Jean-Pierre Van Rossem die enkele zetels binnenreef. Dat we gingen winnen, hadden we verwacht, maar de omvang van het succes was een verrassing. Achteraf gezien hebben we veel te danken aan de hevigheid van onze tegenstanders, die ons in een underdogpositie drumden. Maar we hadden vooral een programma dat mensen aansprak. Men zag de samenleving veranderen en daar was onze campagne “Uit zelfverdediging” met de gekende bokshandschoenen een gevat antwoord op.

Kosmopolitische empathie

Laten we even op Brussel terugkomen: welke affiniteiten hebt u nog met de stad?

Om heel eerlijk te zijn: niet veel meer, gewoonweg omdat het Brussel dat ik gekend heb niet meer bestaat. Maatschappelijk én politiek trouwens. Het is opvallend dat vrijwel alle politici aan Nederlandstalige kant ingeweken zijn. Zij hebben ook een heel andere kijk op de stad en omarmen het multiculturele en het kosmopolitisme. Dat is hun goed recht natuurlijk, maar wat me stoort, is dat ze niet de minste empathie aan de dag leggen ten aanzien van de veel grotere groep die hier niet mee opgezet is. Velen hiervan hebben trouwens de stad al verlaten, net om die reden. Men heeft aan Vlaamse kant een erg naïeve kijk op Brussel, en dit terwijl er aan Franstalige kant niet veel veranderd is. Voor hen is Brussel een Franstalige stad, punt. Daar hoor je geen praat over een lappendeken van minderheden en dergelijke.

Tijdens uw jaren als Vlaams Parlementslid was u erg begaan met de Rand. Hoe ziet u dat evolueren?

Ik heb de tijd nog gekend van de scherpe tegenstellingen. Veel hiervan is weg. Tegelijkertijd blijft er zich wel een verontrustende trend van ontnederlandsing voordoen, wat voornamelijk op conto van de bevolkingsexplosie in Brussel geschreven moet worden. Wat me ergert, is de gelatenheid waarmee men daar aan Vlaamse kant tegenaan kijkt. Heel vaak hoorde ik beloftes in het Vlaams Parlement, maar nooit kwam het tot een krachtdadig ‘randbeleid’. De N-VA zit al jaren in de Vlaamse Regering. Voor de tweede keer op rij leveren ze ook de minister-president en de minister bevoegd voor de Vlaamse Rand, maar Ben Weyts ontgoochelt, ook op onderwijs trouwens. We zien al jaren dat er een regressie plaatsvindt, maar elk gevoel van urgentie ontbreekt. En zeggen dat onderwijs onze enige grondstof is in Vlaanderen!

Vlaams DNA

Is die passiviteit niet ingebakken in het DNA van Vlaams Parlement en dito regering?

Absoluut, wat nu ook in deze coronatijden gebleken is. Eigenlijk was dit een gedroomde kans voor Jan Jambon om zich te profileren als de staatsman die corrigeerde wat op de andere bestuursniveaus fout liep. Dezelfde analyse kan gemaakt worden als we de dingen in een breder historisch perspectief plaatsen. Op geen enkele manier hebben die Vlaamse instellingen, die doorheen de jaren steeds meer bevoegdheden kregen, een eigen dynamiek ontwikkeld die het federale niveau zou uitdagen. Terwijl uitgerekend nu dat Vlaamse niveau zich als alternatief op het Belgische kluwen zou moeten aandienen.

U stopte ruim tien jaar als parlementslid, maar was wel nog lijstduwer bij de jongste gemeenteraadsverkiezingen in Bornem. Nog steeds Belanger in hart en nieren?

Zonder twijfel, wat ik ook duidelijk wou maken toen ik de lijst duwde. (lacht) Er is een generatiewissel aan de top, wat normaal en gezond is. Die mensen pakken het anders aan, maar ook dat is volkomen normaal. Je hebt een andere generatie, maar ook een andere samenleving dan in de jaren negentig. Wij zaten achter een cordon dat verder ging dan het politieke en ook maatschappelijk vergaande gevolgen had. Terecht merkt Tom Van Grieken op dat het cordon vandaag maatschappelijk morsdood is en enkel nog in de Wetstraat bestaat. Je ziet dat deze mensen mee willen besturen, wat voor onze generatie ondenkbaar was.


Luk Van Nieuwenhuysen kort genoteerd

  • Geboren in Schaarbeek (°52)
  • Gehuwd, drie kinderen
  • Voormalig bestuurssecretaris Vlaamse Dienst voor Buitenlandse Handel
  • Kamerlid en Vlaams Parlementslid (1991-2009)
  • Gewezen ondervoorzitter van het Vlaams Parlement

“Eén tip voor het VB? Investeer in netwerken!”

“Tijdens mijn jaren als Vlaams Parlementslid was ik erg bezig met dossiers als de Rand of Buitenlandse Handel”, legt Luk Van Nieuwenhuysen uit. “Hiervoor bouwde ik een bescheiden netwerk uit, alleen, ik erken het ruiterlijk, was dat te beperkt. Als ik één tip voor mijn partij heb: maak hier werk van! Zeker de rol van de administratie is hier van belang. Meebesturen is voor het VB natuurlijk een belangrijke politieke uitdaging, maar eens die horde genomen, begint het echte werk pas. Op dat moment moet je netwerk er staan. Je zal altijd met een administratie moeten besturen, daar is geen ontkomen aan. Begrijpen hoe die werkt is essentieel. Tegelijk is het ook van belang dat je intern je aanspreekpunten hebt. Enkel wanneer je een goede wisselwerking verkrijgt met de ambtenarij, kan ook een succesvol beleid gevoerd worden.”