De tafelgesprekken tussen N-VA-voorzitter Bart De Wever en zijn PS-collega Paul Magnette met de groene partijen maken onderdeel uit van een tactisch politiek steekspel om druk te zetten op de liberalen. Maar door zo dicht aan te schurken bij de radicale linkerzijde verliest de N-VA sowieso veel krediet.

“Neen tegen de rood-groene belastingtsunami!” en “In geen duizend jaar regeer ik met PS en Ecolo.” Het zijn maar een paar uitspraken die N-VA-voorzitter Bart De Wever de voorbije maanden heeft gedaan. En toch heeft hij dinsdag samengezeten met co-preformateur Paul Magnette (PS) en de top van Ecolo en Groen met het oog op de vorming van een nieuwe regering. Wat moet een mens daarvan denken? De politieke analyse ligt voor de hand: De Wever en Magnette willen de liberalen onder druk zetten en hopen dat Open Vld desnoods de MR laat vallen om dan als enige liberale partij eieren voor haar geld te kiezen en zich bij een regering van N-VA, socialisten en christendemocraten aan te sluiten.

Alleen ontstaat nu wel de indruk dat de N-VA bereid is om heel veel van de eigen principes overboord te gooien om toch in een regering te zetelen. En dat met een radicaal-linkse bende. Stel u voor: Kristof Calvo als minister van Defensie naast pakweg Theo Francken als minister van Binnenlandse Zaken. Uiteraard weinig realistisch, want de programma’s van N-VA en de groenen liggen lichtjaren uit elkaar. De groenen zijn neobelgicisten en economisch is hun programma soft communistisch. Om nog maar over asiel, migratie en veiligheidsbeleid te zwijgen. Zelfs als het gesprek met Ecolo-Groen niet gemeend is, verliest de N-VA snel alle krediet door publiek mee te doen aan dit politiek slechte theater.

Het jennen van de liberalen en van de Franstalige blauwen in het bijzonder door PS en N-VA is natuurlijk te begrijpen. Niet alleen omwille van het ongeleid projectiel in de persoon van partijvoorzitter Georges-Louis Bouchez. Ook omwille van oude openstaande rekeningen. De N-VA is nog altijd boos dat de Franstalige liberalen in de regering-Michel bleven vasthouden aan het Marrakesh-pact. En de PS is het “verraad” van 2014 nog niet vergeten toen de MR als enige Franstalige partij in de federale regering stapte.

De centen blijven federaal

Zelfs zonder die flirt met de ecologisten kunnen we grote vraagtekens plaatsen bij de keuzes van de N-VA-voorzitter. Wat zit er eigenlijk in een paarsgele regering dat de Vlaams-nationalistische en rechtse N-VA kiezer moet overtuigen?

Een regering die naar verluidt met een minimumprogramma zou werken om daarna verkiezingen voor te bereiden ergens in 2023. Op dat moment zou de federale Kamer dan de basis leggen voor een staatshervorming. Ondertussen zouden al een aantal zaken zonder staatshervorming kunnen worden overgeheveld naar de deelstaten. Delen van de gezondheidszorg, bepaalde aspecten van het arbeidsmarktbeleid. Desnoods met aparte ministers per deelstaat voor het werkgelegenheidsbeleid in de federale regering. Daarnaast zou ook de splitsing van Justitie worden voorbereid. Een beleidsdomein dat ook al in 2010 op tafel lag tijdens de gesprekken tussen PS en N-VA in Vollezele.

Het oogt allemaal interessant, maar er moeten twee belangrijke kanttekeningen bij worden geplaatst. Ten eerste: de centen blijven nog altijd federaal. Welke zin heeft het bevoegdheden over te dragen als de middelen niet rechtstreeks volgen? De PS zit in een zetel en weet dat een economisch wanbeleid in Wallonië en Brussel altijd zal worden gefinancierd.

Ten tweede is er de sociaaleconomische prijs die de N-VA voor zo’n regering moet betalen. Dat de Vlaams-nationalisten na de nederlaag in 2019 opnieuw meer sociale accenten willen leggen, is begrijpelijk. Het verhogen van de pensioenen en de laagste uitkeringen plus hogere uitgaven voor de gezondheidszorg zijn in deze tijden aanvaardbaar. Maar wie zal dit betalen? En wat te denken van een vermogenstaks die uiteindelijk altijd door de Vlaamse middenklasse wordt betaald? Bovendien zou de wet die de loonevolutie bepaalt, versoepeld worden. Dat dreigt de concurrentiekracht van vooral Vlaamse bedrijven onder druk te zetten.

De Volksunie van 1988 achterna?

Het kan geen kwaad om nog eens terug te komen op de optie om de federale verkiezingen te vervroegen naar 2023 en zo een einde te maken aan de samenvallende stembusslagen op federaal en regionaal niveau. In een naar confederalisme neigend België is dat niet meer dan normaal. Alleen is er na 2023 geen enkele garantie op een verregaande staatshervorming. De N-VA lijkt hier de oude paden van de VU te bewandelen met ingewikkelde compromissen waar niemand tevreden mee is. En waarbij het tijdens onderhandelingen voor een staatshervorming nooit zeker is dat men uiteindelijk iets kan binnenrijven.

Denken we maar aan diezelfde Volksunie aan het einde van de jaren 80 van vorige eeuw. De partij stapte in een regering met socialisten en christendemocraten in de hoop de zogenaamde derde fase van de staatshervorming te kunnen afronden. Cruciaal daarin was de rechtstreekse verkiezing van een Vlaams Parlement. De concrete uitvoering daarvan bleef maar op zich wachten en in 1991 trok de Volksunie de stekker uit de regering Martens VIII naar aanleiding van onenigheid rond wapenexportcontracten naar het Midden-Oosten. Het resultaat was Zwarte Zondag. Zwemt de N-VA de komende jaren in dezelfde fuik?