Het is september 2015. Ik bevind me in Saydnaya, een stad op ongeveer 30 kilometer ten noorden van Damascus. Bij het horen van de naam van de stad denkt men in het Westen meestal meteen aan de beruchte gevangenis waar volgens Amnesty International talloze mensenrechtenschendingen plaatsvinden. Maar de stad is vooral bekend omwille van het beroemde klooster van de Grieks-orthodoxe kerk van Antiochië dat in de 6de eeuw door de Byzantijnse keizer Justinianus is gebouwd.

Terwijl ik door het klooster wandel is de angst bij de Syriërs die ik er tref goed voelbaar. IS staat aan de poorten van Damascus en het Syrische leger verliest ook elders steeds meer terrein. De val van president Assad lijkt onvermijdelijk. De Syrische christenen die ik spreek bekijken de situatie met een bang hart, want de islamitische extremisten die tegen Assad strijden lijken voor hen een erger alternatief dan de huidige dictatuur. In het kleine souvenirwinkeltje spreek ik een oudere non die eenzaam achter de kassa zit. Ze vraagt me waar ik vandaan kom en als ik zeg dat ik uit België kom, antwoordt ze: “Binnen enkele jaren zijn er meer christenen gevlucht naar Europa dan dat er gelovigen in Syrië zijn.”

Pas later in de maand, als ik terug in België ben, zal Rusland starten met zijn bombardementscampagne die de oorlog in het voordeel van het Syrische leger zal keren. Maar ondanks de gekeerde krijgskansen voor het Syrische leger is de realiteit op het terrein dat Syrische christenen massaal het land ontvluchten. Veel christenen woonden in steden als Homs en Aleppo, waar de strijd het hevigste woedde, en sloegen op de vlucht voor oorlogsgeweld en vervolging. Als religieuze minderheid worden ze tijdens het conflict ook geviseerd door de (islamitische) strijders die tegen het Syrische leger vochten. Volgens Kerk in Nood zijn er ondertussen al meer dan 700.000 christen het land ontvlucht. Vijf jaar later spoken de woorden van de Syrische non nog steeds door mijn hoofd en vraag ik me af wat de persoonlijke verhalen achter deze profetische woorden zijn.

De oorlog is voorbij maar…

Vijf jaar na mijn bezoek aan Saydnaya is de strijd in Syrië – mede omwille van de Covid-19-pandemie – (tijdelijk) gaan liggen. Aan de lijn heb ik Carol, een jonge Syrisch-orthodoxe vrouw uit Safita. Safita is een stadje dat tussen Homs en de Syrische havenstad Tartous ligt en dat vooral bekend is van zijn kruisvaarderskasteel Chastel Blanc. Ik probeer haar via Messenger op te bellen en na de zoveelste poging krijg ik haar eindelijk te pakken. We moeten gebruik maken van het moment dat we hebben, want door de slechte elektriciteitsbevoorrading in Syrië kan het internetsignaal opeens terug verdwijnen.

Carol: “Ik denk dat de oorlog net als iedere Syriër zijn leven en persoonlijkheid heeft veranderd. Iedereen heeft bezittingen, geliefden en dromen letterlijk en figuurlijk in rook zien opgaan. Mijn stad heeft geen enkele kogel gezien, maar de oorlog tekende mij op een andere manier doordat ik veel vrienden en kennissen heb verloren. Vooral het verlies van mijn beste vriend Khaled – die ook een journalist was – hakte er diep in bij mij. Syrië was vroeger anders dan al de andere landen in het Midden-Oosten. Religie leek geen grote rol te spelen en we beschouwden elkaar allereerst als Syriër in plaats van als christen, moslim of alawiet. Vóór de oorlog waren er weinig verschillen en waren we eigenlijk één grote familie. Moslimvrienden kwamen Kerst en Pasen mee in onze kerk vieren, terwijl wij tijdens het Suikerfeest bij hen langsgingen. Maar dit alles veranderde toen de oorlog begon, want toen werden we gedwongen een keuze te maken tussen de strijdende partijen. Alawieten en christenen steunden Assad, terwijl veel soennieten partij kozen voor de oppositie. Iedereen trok zich terug in zijn eigen geloofsgroep en zijn eigen gelijk. Ik wilde niet meegaan in het zwart/wit denken en werd daarom door iedereen gewantrouwd. Oorlog biedt helaas weinig ruimte voor een middenweg. Nu de grote gevechten gedaan zijn, zie ik de gemeenschappen in mijn stad terug toenadering tot elkaar zoeken, maar er zijn wel duidelijk littekens gevormd.”

De Syrische president Assad is er na tien vreselijke jaren van oorlog in geslaagd een groot deel van het land te heroveren, maar Syrië ligt nog steeds in puin en de wederopbouw wordt door westerse sancties verder bemoeilijkt. Daarenboven werd eerder dit jaar in Washington de “Caesar Syria Civilian Protection Act” goedgekeurd. Deze nieuwe uitgebreide economische sancties trachten de Syrische elite en de bedrijven die met hen zaken doen te viseren, maar treffen voornamelijk de Syrische burgers.

Carol: “De oorlog is voorbij, maar in Syrië is het nog steeds moeilijk om te leven. Er is geen toekomstperspectief voor jongeren hier. De sancties die het Westen tegen ons heeft uitgevaardigd maken het leven bijna onmogelijk. Er is amper elektriciteit, geen benzine, en zelfs water en brood bemachtigen is zeer moeilijk geworden omdat er zo weinig voorradig is. De Covid-19-gezondheidscrisis toont dit ook weer aan, want zelfs in de ziekenhuizen hebben ze amper beschermend materiaal. Ik vrees dat Syrië het ergste nog niet heeft gezien. Tegelijkertijd is onze munteenheid – de Syrische pond – in elkaar gestort en dus is alles veel duurder geworden. Het weinige geld dat mijn gezin had gespaard is eigenlijk niets meer waard en we kunnen er amper iets mee kopen. Daarom wil ik Syrië verlaten. Om in het buitenland een ‘normaal’ leven te kunnen opbouwen. Het doet me echt pijn dit te zeggen, want ik ga mijn stad, mijn land en vooral mijn vrienden en familie enorm missen. Het klinkt misschien voor een buitenstaander bevreemdend, maar Syrië is mijn veilige haven. Ik voel helaas dat ik geen andere keuze heb. Het enige dat mij momenteel tegenhoudt, is het feit dat ik met mijn Syrisch paspoort moeilijk naar een ander land kan reizen.”

Qamishli aan de Dender

In Aalst heb ik een afspraak met Kostantin. Hij is een van de gelovigen van de groeiende gemeenschap van Syrisch-orthodoxen in de carnavalsstad. Hij was betrokken bij de reddingsactie van voormalig staatssecretaris Theo Francken om Syrische christenen te redden. Ik vraag hem naar de zaak over de humanitaire visa, die tot op heden veel stof doet opwaaien.

Kostantin: “Ik schaam me diep over het feit dat onze gemeenschap in België wordt geassocieerd met deze fraude. Ik heb destijds de geruchten over fraude ook gehoord, maar ik spreek me daar niet over uit. Laat het gerecht zijn werk maar doen en de waarheid komt wel boven water. Ik kan alleen maar verzekeren dat de operatie vanuit Aalst volledig correct is verlopen. Het is jammer dat deze zaak al het goede werk heeft overschaduwd. We hebben talloze mensenlevens gered, maar de Belgische politici vonden politieke spelletjes en de karaktermoord op Theo Francken belangrijker dan het tragische lot van onze geloofsgenoten.”

Hij stelt me voor aan Khatoun en haar man. Zij zijn afkomstig uit de stad Qamishli, die zich in het noordoosten van Syrië bevindt. De stad heeft een speciale betekenis voor oosterse christenen. Ze werd namelijk in het begin van de 20ste eeuw gesticht door christelijke vluchtelingen van de ‘Seyfo’ (de Ottomaanse genocide op christelijke minderheden van 1915). Door (Koerdische) immigratie verloor de stad langzamerhand haar exclusief christelijke identiteit en nu herbergt de stad een culturele mozaïek van Koerden, Arabieren en verschillende kerken van oosterse christenen. Tijdens de oorlog trok het Syrische leger zich uit het oosten van het land terug om in het westen tegen soennitische rebellen te gaan strijden. Het behield in Qamishli wel de controle over een deel van de stad waarin zich een militaire basis en de luchthaven bevinden, maar de stad viel in handen van de Koerden.

Khatoun: “Toen de oorlog naar Qamishli kwam, veranderde dat iedereen zijn leven. Veiligheid was geen vanzelfsprekendheid meer. Ik had me nooit kunnen inbeelden dat ik voor mijn leven zou vrezen, maar dat gebeurde toen IS op een bepaald moment op 30 kilometer van onze stad was genaderd. De stad hebben ze gelukkig nooit ingenomen, maar ze doodden ons op andere manieren. De bomaanslagen waren vreselijk en met de explosie bij het restaurant Miami eind 2015 viseerden ze bewust christenen. Maar niet enkel IS viseerde ons. Islamisten ontvoerden christenen om hen nadien voor losgeld te verkopen. Als je familie niet kon betalen, werd je vermoord. Ik kon niet in Syrië blijven, want dat zou uiteindelijk het leven van mij en mijn kinderen hebben gekost. Want ook al is IS nu verslagen, hun extremistische ideologie en dier aanhangers zijn nog steeds in Syrië aanwezig.”

Toen het Syrische leger zich in zijn basis terugtrok en de Koerden het politieke vacuüm opvulden, werd Qamishli de hoofdstad van ‘Rojava’, het politieke project van de Syrische Koerden dat ze in Oost-Syrië trachten uit de bouwen. In de tussentijd bleef de Syrische regering in Damascus – om de schijn van legitimiteit hoog te houden – de lonen van ambtenaren doorbetalen. Tussen de Koerden en Assad zijn er nog steeds onderhandelingen aan de gang over de toekomst van het land. Tijdens het Turkse offensief tegen de Syrische Koerden vonden beide partijen opnieuw toenadering tot elkaar, maar een politiek akkoord blijft tot op heden uit.

Khatoun: “Met de Koerden probeerden de christenen tot een verstandhouding te komen, maar er zijn veel spanningen tussen de beide bevolkingsgroepen. Het feit dat ‘Sootoro’ – een christelijke Aramese militie in Qamishli – nog steeds banden onderhoud met Assad, was een doorn in het oog van de YPP (de Koerdische troepen van ‘Rojava’). Maar ook op andere manieren werd samenleven moeilijker. Ze begonnen de christenen te discrimineren door scholen en kerken te sluiten en hun taal aan ons op te dringen. Daarnaast proberen ze landbouwgrond en eigendommen in te nemen en verdringt men de oosterse christenen op deze manier uit Syrië.”

Kostantin: “Ik kijk heel bezorgd naar de toekomst van de christenen in Syrië. Velen willen daar nog steeds weg omdat ze geen toekomst meer in hun geboorteland zien. Het geweld zal alleen nog maar toenemen en de economische situatie zal ook niet verbeteren. Ik voel me schuldig omdat ik eigenlijk meehelp aan de missie van IS en andere extremisten door te helpen christenen het Midden-Oosten te ontvluchten. Maar het allerbelangrijkste voor mij zijn mensenlevens. Onze Syrisch-orthodoxe kerk kan op een andere plaats terug wortel schieten, want zolang onze gelovigen leven, is onze kerk niet verdwenen.”