Hoe jammer het ook moge zijn, de Brexitklok wordt niet meer teruggedraaid. En dat creëert een nieuwe Europese Unie waarbinnen nieuwe evenwichten moeten gezocht worden. Zeker door een land als Nederland, dat het Verenigd Koninkrijk als zijn belangrijkste bondgenoot binnen de Unie beschouwde.

Er bestaat een bepaald beeld van Nederland binnen de EU. Het land heeft de zesde grootste economie van de Unie, staat op de zevende plaats als het over defensie-uitgaven gaat en op de hitlijst van de bevolkingsomvang staan onze Noorderburen op nummer acht. Een onderzoek van de European Council on Foreign Relations (ECFR) toonde echter aan dat Nederland qua “relevantie” op de vierde plaats staat, na – niet verwonderlijk – Duitsland, Frankrijk, maar ook Italië. “Het beste voorbeeld van een land dat boven zijn gewicht speelt”, klinkt het flatterend in een onderzoek dat diezelfde ECFR vorig jaar publiceerde. Nederland ligt in het hart van de EU, en met zijn betrokkenheid in het Benelux-project dat gestalte kreeg in 1944, nog voor de geallieerden de Rijn hadden bereikt, wordt het als een heuse pionier van de Europese constructie beschouwd. Nederland lijkt ergens wel een kruispunt. Een Atlantische kijk op de dingen, een sociaal model dat Scandinavisch oogt en een benadering van financiële en monetaire zaken die op Duitse leest geschoeid is.

Irrelevant

Bekeken tegen de achtergrond van het zonet geschetste beeld kan het verbazen dat de Nederlandse minister-president Rutte zich zo weerde tijdens de besprekingen die tot het corona-herstelprogramma moesten leiden. Met scherp schoot hij op de Zuidelijke landen, Italië in het bijzonder. Geen geld zonder hervormingen, oreerde hij met de moed der wanhoop. Veel effect op het eindresultaat had dit niet. Het is een illustratie van wat de EU zonder Britten betekent. Aan het akkoord veranderde nauwelijks iets, Rutte kon enkel met wat financiële concessies pronken.

In de coulissen verklaarde een Brits diplomaat jaren geleden al dat “Nederland meestal gelijk heeft, maar zelden relevant is.” Il n’y a que la vérité qui blesse. Macron en Merkel keerden triomfantelijk terug naar huis, terwijl Mark Rutte zich in de Tweede Kamer mocht komen verantwoorden. De politieke bovenlaag mag dan al uitgesproken pro-EU zijn, in de echelons die eronder komen neemt de kritiek op de EU toe. Misschien moet dat beeld van Nederland binnen de EU maar eens bijgestuurd worden.

Tegen wil en dank

Als het aan Den Haag lag, kwam er na de Tweede Wereldoorlog een grote trans-Atlantische relatie. De affiniteiten met de Britten en Amerikanen waren nu eenmaal wat ze waren. Een gedeelde Protestantse cultuur, eenzelfde liberale kijk op de economie en die aparte band die oude maritieme naties met de open zee hebben. Alleen liepen de dingen enigszins anders. Het was via de radio dat Nederland in 1950 vernam dat Frankrijk en Duitsland een overeenkomst hadden bereikt om de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) op te richten.

Dat de Nederlanders niet op de hoogte waren van het Schuman-plan, dat officieel gelanceerd werd op 9 mei 1950, was geen toeval. Zowel Duitsland als Frankrijk gingen er immers terecht van uit dat ze er toch tegen gekant zouden zijn. De Europese trein was echter vertrokken en Nederland kon het zich niet veroorloven deze te missen. Door het verlies van de kolonies tekende zich een ander economisch plaatje af. Meer dan voorheen het geval was geweest, zou de welvaartscreatie dichter bij huis moeten gebeuren. Een alternatief voor dit Europese verhaal was er niet. Men moest meestappen, ook al was het grotendeels een verstandskeuze.

Traumatiserende Brexit

Van dan af was dé doelstelling om ook de Britten erbij te krijgen. Dit lukte begin jaren zeventig, ondanks de Franse pogingen om dit af te blokken. Het verschafte Den Haag plots een andere positie in het Europese machtsevenwicht. Subtiel positioneerde het zich naast Londen, als tegengewicht voor de Frans-Duitse as. Er ontwikkelde zich een Nederland dat zich beter voelde binnen de Europese constructie. Samen met de Britten werd ingezet op de uitbreiding van de Unie en het verruimen van de vrije markt. Maar hun belangrijke bondgenoot dreef af, met de Brexit als pijnlijke apotheose.

“Mark Rutte is getraumatiseerd door het vertrek van de Britten,” benadrukte een studienota van Foreign Policy eerder deze maand. Deels verklaart dit ook zijn harde opstelling ten aanzien van Italië. Komt het trouwens nog goed tussen beide landen? Toen de spanning een hoogtepunt bereikte, haalde de Corriere delle Sera enkele oude anekdotes uit de kast. In het verleden kregen jonge Italiaanse diplomaten die naar Brussel vertrokken als informele boodschap het volgend principe mee: “in geval van twijfel, f*** de Nederlanders.” Er is zelfs ooit een richtlijn uitgestuurd die letterlijk voorschreef: “Laat de Nederlanders spreken, en neem vervolgens een diametraal tegengesteld standpunt in.” Alle Menschen werden Brüder

Nieuwe allianties

Eigenlijk kan Nederland binnen de EU nog maar één zaak doen: de nieuwe context als feit aanvaarden en er lessen uit trekken. Begrijp: zich herpositioneren. Nog meer toenadering zoeken tot Duitsland ligt voor de hand, maar er zal meer nodig zijn. Ook Frankrijk komt steeds meer in het vizier, hoe onnatuurlijk dit ook kan lijken. Maar de grote uitdaging bestaat erin sui generis tewerk te gaan. Afhankelijk van de thema’s naar allianties streven. Draait het om de centen, dan kijkt Den Haag vooral naar Duitsland en andere Noordelijke landen. Andere domeinen vergen dan weer andere coalities. Zij het dat tegelijk een blik vol weemoed op Londen gericht blijft.