De idee alleen al dat men de Amerikaanse president Trump voor de Nobelprijs voor de Vrede nomineert, klinkt niet alleen als een farce, dat is het ook. Tegelijkertijd stemt het tot nadenken, want als de man steevast bakken kritiek over zich heen krijgt, is het oordeel over zijn buitenlands beleid wellicht een stuk genuanceerder.

Ook al eens gedacht om iemand te nomineren voor de Nobelprijs voor de Vrede? Het is een voorrecht dat niet voor iedereen weggelegd is, maar zo hoog ligt de lat nu ook niet weer. Politici (met een nationaal mandaat), academici enzovoort, allen kunnen ze een naam op de lijst plaatsen. En dat gebeurt ook, bij hopen zelfs. Voor de vorige editie waren er 350 genomineerden waarvan de meesten onbekend zijn. De regel is dat deze lijst pas na vijftig jaar vrijgegeven wordt, wat betekent dat de enige manier om te informeren erin bestaat ruchtbaarheid te geven aan het eigen initiatief.

Zoals Christian Tybring-Gjedde, een Noors parlementslid, die Trump dus nomineerde, iets wat hij in het verleden ook al deed. Enkele jaren geleden schoof hij ook Ayaan Hirsi Ali naar voor. Hij is trouwens niet de enige die de Amerikaanse president nomineerde. Ook een Zweeds parlementslid deed dit. Net zoals de fractie van het Forum voor Democratie, de partij van Thierry Baudet, dat zopas gedaan heeft.

Symbolisch

Tybring-Gjedde maakt zich overigens weinig illusies. Trumps stijl past niet bij het beslissend comité, zo weet hij. En dus is de kans dat hij het rijtje van Moeder Teresa, Martin Luther King en Nelson Mandela vervoegt bijzonder klein. Maar de nominatie pakken ze hem niet meer af. Nu ja, ook Stalin werd tot twee maal toe genomineerd. Net als ene Adolf Hitler in 1939, maar die nominatie werd uiteindelijk weer ingetrokken. Op zich is het niet zo uitzonderlijk dat een Amerikaans president genomineerd wordt. Enkele onder hen gingen ook daadwerkelijk met de prijs aan de haal. Theodore Roosevelt was de eerste in 1906, gevolgd door Woodrow Wilson (1920), Jimmy Carter (2002) en Barack Obama (2009).

Deze laatste die ook won was zonder twijfel de meest omstreden. Hij kreeg hem in het begin van zijn legislatuur, wat simpelweg betekent dat de toekenning vooral op hoop en verwachtingen gebaseerd was. Een vergissing, zo vond ook Geir Lundestad, voormalig secretaris van het comité. “Hij realiseerde niet wat het comité verwacht had,” klonk het een tijdje geleden nog. Het leverde hem alvast geen persoonlijke verrijking op: de bijna anderhalf miljoen dollar prijzengeld ging naar een goed doel.

Midden-Oosten

Misschien wel interessanter dan de persoon, is de reden waarom die in aanmerking zou komen. Voor Christian Tybring-Gjedde was dat het bereikte akkoord tussen Israël en de Verenigde Arabische Emiraten (inmiddels volgde ook Bahrein). Een duidelijke stap in de richting van vrede, zo meent hij. Critici van Trump, en daar is geen gebrek aan, hameren dan weer op diens rol die overgewaardeerd wordt. Wat er ook van zij, in principe werden deze zogenaamde Abraham-akkoorden afgelopen dinsdag in de VS ondertekend. En ook van dat event maakt Trump een symbool. Slechts één Europees land ontving een uitnodiging om aanwezig te zijn: Hongarije.

Wanneer we van het ondenkbare uitgaan en Trump als toekomstige winnaar van de prijs beschouwen, dan betekent dat dat de problematiek van het Midden-Oosten voor de vierde maal aan de basis van de toekenning zal liggen. Hiermee zou deze kwestie ook het Internationale Rode Kruis overklassen, dat de voorbije 120 jaar drie keer de prijs won.

Milde kiezers

Dat Trump niet zal zegevieren in Noorwegen (de prijs voor de Vrede is de enige die daar uitgereikt wordt, de ceremonies voor de andere prijzen vinden in Zweden plaats) zal hem worst wezen. Zijn nominatie volstaat om er gebruik van te maken in zijn electoraal PR-apparaat. Trump, de man die vrede brengt, is de boodschap. Hij ging praten met Noord-Korea, bracht partijen bij elkaar in het Midden-Oosten, versloeg ook IS. Men kan er wat lacherig overdoen, maar de feiten zijn wat ze zijn. Hij wil niet als zwak gepercipieerd worden, zoals is gebleken in zijn opdracht om de Iraanse topman Generaal Soleimani te laten doden. Maar tegelijkertijd is zijn aversie voor een nieuw conflict groot.

Niet hem, maar zijn voorganger(s) als ‘oorlogspresident’ bestempelen overstijgt het niveau van de electorale propaganda. Herverkozen of niet, academische publicaties waarin het beleid van de voorbije termijn onder de loep genomen worden, schieten als paddenstoelen uit de grond. En zal het verbazen dat deze vaak erg kritisch zijn? Maar deze academici zijn slechts één stem in het geheel. Ook electoraal. Het is niet in de salons van de ‘Council on Foreign Relations’ dat over de politieke toekomst van Donald Trump beslist zal worden. Wel door de kiezers, die met andere dingen begaan zijn, te beginnen met het geweld in hun steden of de economie die floreerde voor corona de kop opstak. Wellicht zijn zij milder in hun oordeel dan de verlichte kringen aan de Oost- en Westkust.