De implosie van het Forum voor Democratie van Thierry Baudet biedt een les. Charismatische leiders kunnen heel nuttig zijn voor een groeiende partij, maar ze vormen ook een existentieel risico.

De leider kan vermoord worden (Pim Fortuyn) of kan betrokken geraken bij een schandaal (Umberto Bossi van de Lega Nord). Er hoeft zelfs helemaal niets zo drastisch voor te vallen. Hoogmoed en zijn kwalijke gevolgen loeren altijd om de hoek bij mensen die te veel succes en roem ervaren. De tegenstanders van Baudet menen dat hun eigen partij is veranderd naar een ‘sektarische beweging’ die de voorzitter als ‘een messias’ aanbidt.

‘Sterke leiders’

Hoewel ik vaak het tegendeel hoor, denk ik niet dat rechts meer voorkeur vertoont voor sterke leiders dan links. Uitgesproken rechtse partijen zijn een relatief recent verschijnsel. Er waren sterke persoonlijkheden nodig om ze uit de grond te stampen (Jean-Marie Le Pen, Karel Dillen, Pim Fortuyn, Nigel Farrage, Geert Wilders, Thierry Baudet) of om een bestaande partij naar rechts te doen uitzwenken (Jörg Haider, Bart De Wever, Donald Trump).

Rechtse partijen kunnen echter ook bloeien zonder een uniek boegbeeld. Voor de vuist zou ik bijvoorbeeld niet kunnen zeggen wie momenteel de plak zwaait in de nochtans succesvolle Duitse AfD. Het Vlaams Blok/Vlaams Belang had ook meerdere boegbeelden op het moment van zijn (tot nog toe) grootste verkiezingsoverwinningen.

Linkse en centrumpartijen kennen hun eigen momenten van personencultus. Denk maar aan de aanbidding van Steve Stevaert, de gloriejaren van Guy Verhofstadt of de volledige identificatie van La République En Marche met Macron. Dat Groen altijd maar ondermaats presteert bij de verkiezingen, ondanks de oververtegenwoordiging van groene thematiek in de pers, wijst erop dat ook de linkse kiezers liever wat meer charisma willen dan ze kunnen vinden bij de geraniums die al decennia het beeld van die partij bepalen.

De recente inzakking van het Forum voor Democratie toont evenwel de gevaren van een enig, te dominant boegbeeld. Baudet won het leiderschapsreferendum in zijn partij, maar de crisis rond zijn persoon, zijn aanpak en zijn dominantie lijkt voor onherstelbare schade te zorgen. Vele topmensen verlaten de partij. De peilingen zijn barslecht.

Hoogmoed

Het is niet gezond dat een partij staat of valt met het wedervaren van één man. De moord op Fortuyn leidde tot het volledig verdwijnen van zijn partij. Een schandaal rond het enige boegbeeld kan hetzelfde effect hebben.

Er is echter een gevaar dat veel onmiddellijker is dan dergelijke dramatische wendingen. Hoogmoed komt voor de val, leerde ik op school van de jezuïeten. Ik beschouwde dat toen als een moreel voorschrift. Hoogmoed is een van de zeven hoofdzonden en wie er zich schuldig aan maakt, wordt gestraft, dacht ik. In de politiek leerde ik dat het eigenlijk een zeer praktisch advies is. Hoogmoed leidt ertoe dat je je eigen capaciteiten overschat, dat je je omringt met ja-knikkers, dat kritiek niet meer doordringt en je de grip op de realiteit verliest. Ik heb gezien hoe hybris mensen heeft veranderd en uiteindelijk in problemen heeft gebracht.

De geschiedenis levert ons genoeg voorbeelden van dat mechanisme. Alexander De Grote en Napoleon waren geniale, succesvolle leiders, maar kwamen in problemen wanneer hun hoogmoed het overnam. Ze luisterden niet meer naar de raad van hun vroegere ‘compagnons de route’ en reageerden met minachting op elke kritiek. Dan kwamen de foute beslissingen. Napoleon trok naar Rusland tegen het advies in van zijn officieren en trouwe adviseurs als Armand de Caulaincourt. We weten hoe dat afliep.

Het zijn sterke schouders die de roem kunnen dragen

Niet iedereen in die positie wordt zot van glorie. Karel Dillen had een personencultus rond zichzelf kunnen creëren. Hij was een zeer begaafd orator en genoot enorm respect van de achterban. Er was na het verdwijnen van Lode Claes ook niemand die hem binnen de partij kon beconcurreren. Maar Dillen was al een stuk in de zestig toen zijn partij doorbrak. Hij had in zijn vorige partij al gezien wat hoogmoed van leiders en de slaafsheid van de volgelingen konden aanrichten. Zijn karakter was erdoor gevormd. Dillen was openlijk cynisch over vleiers en ja-knikkers. Jean-Marie Le Pen liet zich graag een zaal van juichende supporters binnenleiden op de muziek van het Slavenkoor van Nabucco. Karel Dillen zou zoiets potsierlijk gevonden hebben.

Zijn opvolger, Frank Vanhecke, deelde die afkeer voor de zoektocht naar persoonlijke glorie. Hij werd voorzitter omdat Dillen dat gevraagd had en deelde diens gave van zelfrelativering.

Dezelfde zelfrelativerende humor merkte ik op bij Bart De Wever in de korte tijd dat ik hem persoonlijk gekend heb. Maar je mag nooit onderschatten wat populariteit met een mens doet. De Wever wordt al velen jaren als een halfgod behandeld in zijn eigen partij. Het paljas-incident met Van Grieken toonde een misplaatste minachting voor zijn tegenstander.

De N-VA is zeker geen eenmanspartij, maar er kan moeilijk naast gekeken worden dat De Wever nu al voor de zesde keer op rij voorzitter is. De partijstatuten laten nochtans niet toe dat iemand meer dan twee termijnen die functie bekleedt. Al vier keer moest voor hem een uitzondering gestemd worden. Het is leuk voor een partij dat een voorzitter zo weinig betwist wordt, maar de schijnbare onmogelijkheid om rond iemand anders een consensus te vinden zou de N-VA zorgen mogen baren. Kan de N-VA ooit overleven zonder De Wever? Hij gaat niet eeuwig mee.

En wat met vroegbloeiers als Tom Van Grieken en Conner Rousseau? Kunnen hun jonge schouders de snelgroeiende faam torsen zonder dat de hoogmoed toeslaat? We zullen zien.