In Franstalig België dromen ze hardop van een nieuwe staatshervorming die de Vlamingen en zelfs de N-VA in 2024 over de streep moeten krijgen: een federalisme met vier deelstaten en desnoods wat extra bevoegdheden voor de Vlamingen. Het oogt voor sommigen aantrekkelijk, maar dat is het niet.

Herinnert u zich 2009? N-VA-voorzitter Bart De Wever rept zich naar Eupen, waar de regering van de Duitstalige Gemeenschap gevestigd is. Hij wil er de Duitstalige minister-president Karl-Heinz Lambertz van overtuigen dat het parlement van de Duitstalige Gemeenschap geen belangenconflict mag inroepen tegen een wetsvoorstel van de Vlaamse federale Kamerleden om het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde te splitsen. Om het normale parlementaire proces te vertragen, hebben verschillende regionale parlementen tegen het voorstel een belangenconflict ingeroepen. Nadat de assemblees van de Franse Gemeenschap, de COCOF (de Franstaligen in Brussel), het Brussels en het Waalse parlement zo’n procedure hadden opgestart, kon er door de Duitstaligen nog wat tijd worden gekocht.

Uiteindelijk werd het dossier bij het uittekenen van de zesde staatshervorming in 2011 afgehandeld. Maar wat daarvoor gebeurde met al die belangenconflicten, was symptomatisch voor het Belgische federalisme. De niet-Vlaamse politieke wereld kon de Vlamingen via de vele grondwettelijke grendels klem zetten. De term ‘niet-Vlamingen’ werd indertijd steevast gebruikt door Lode Claes in zijn boeken “De afwezige meerderheid” en “De afwendbare nederlaag”. Meer nog dan de alarmbel, de paritaire ministerraad en de dubbele meerderheden vormen die opeenvolging van belangenconflicten een sterke machtshefboom van de ‘niet-Vlamingen’.

Daarom is het opletten geblazen wanneer PS-voorzitter Paul Magnette komt opdraven met zijn pleidooi voor een federalisme met vier. Dat zou dan bij een volgende staatshervorming worden uitgerold. Concreet komen er dan vier deelstaten: Vlaanderen, Wallonië, Brussel en de Oostkantons. Weg met de gemeenschappen dus.

Eerst een Franstalig probleem oplossen

Voor Vlaanderen zou er niet veel veranderen. Daar zijn gewest en gemeenschap de facto samengevoegd. Een eerste probleem is Brussel. Dit zou betekenen dat het Brussels Gewest bevoegd wordt voor onderwijs. En dus heeft het Nederlandstalig onderwijs, door Vlaanderen gefinancierd, daar niets meer te zoeken. Nu zou je kunnen zeggen: dat de Brusselaars hun plan trekken. Het niveau van het Nederlandstalig onderwijs is toch al sterk gedaald omdat het overspoeld wordt door Franstaligen die geen Nederlands kennen. En heeft Brussel wel de middelen om een eigen onderwijs te financieren? Een nadeel voor Vlaanderen is dan weer dat veel Brusselaars naar het kwaliteitsvolle Nederlandstalig onderwijs in de Vlaamse rand zullen vluchten.

Het niveau van het Nederlandstalig onderwijs in Brussel is sterk gedaald omdat het overspoeld wordt door Franstaligen die geen Nederlands kennen.

Een tweede bedenking sluit aan bij het hierboven aangehaalde voorbeeld van de belangenconflicten. Een federalisme met vier zet Vlaanderen in een minderheidspositie ten opzichte van de niet-Vlaamse deelstaten. Drie tegen één dus. Gelegenheidsallianties zoals tussen Vlaanderen en Wallonië in hun verzet tegen de Brusselse stadstol zullen altijd een uitzondering blijven. Neen, door de verschillende grendels die in het Belgische federalisme blijven bestaan, komt Vlaanderen nog meer in een carcan terecht.

Vlaamse politici zouden beter de boodschap brengen dat dit federalisme met vier niet welkom is. En dat het vooral een discussie is om interne Franstalige problemen op te lossen. Financiële problemen uiteraard. De overheidsschuld van de Franse Gemeenschap en Wallonië loopt de komende jaren in de miljarden. Vooral de financiën van de Franse Gemeenschap zitten in slechte papieren. Een ontmanteling van dat overheidsniveau zien ze in Wallonië wel zitten. Een deel van de factuur kan dan naar Brussel worden doorgeschoven.

De transfers worden verankerd

Met het voorstel van een federalisme met vier zwaait Paul Magnette met extra bevoegdheden voor de deelstaten. Vraag is of daar voor Vlaanderen veel lekkers tussen zit. Wat is, afgezien van de sociale zekerheid, nog federaal? Defensie, justitie, binnenlandse zaken… Daar is al veel op bespaard. Deze bevoegdheden ‘erven’, dat is geen cadeau. Al in 2010 had de PS er tijdens de lange onderhandelingen met de N-VA geen geheim van gemaakt dat een splitsing van justitie voor haar geen probleem was.

Anders is het natuurlijk met de sociale zekerheid. Dat moet te allen prijze federaal blijven voor de PS of anders komen de broodnodige transfers in gevaar. De bedoeling van Magnette en Co is al jaren duidelijk: België mag verder worden ontmanteld zolang de geldstromen niet opdrogen. De N-VA hoopte dit tijdens het najaar van 2020 – toen er nog perspectief was op een federale regering met de PS – te counteren door het systeem van gesplitste budgetten in te voeren. Zo zouden die voor werkloosheid en eventueel pensioenen regionaal worden opgedeeld. “Dan is er geen weg terug en is de splitsing van de sociale zekerheid op termijn onvermijdelijk”, zou de analyse van Bart De Wever zijn geweest.

Dat klopt slechts ten dele. Het gaat hier gewoon om de splitsing van de uitgavenbevoegdheden. Het probleem – ook en vooral van de transfers – zit hem aan de inkomstenkant. Vlaanderen genereert het gros van de inkomsten uit belastingen en sociale bijdragen. Zolang het daar niet volledig voor bevoegd is, blijft de Belgische transferunie functioneren. Als men echt richting confederalisme of meer wil gaan, moeten de Vlamingen de lat hoger leggen: en dat is een omkering van het fiscale en parafiscale systeem. Alle inkomsten komen de deelstaten toe en hooguit de BTW-inkomsten zijn (con)federaal. De nog bestaande confederale overheid wordt dan door de deelstaten gefinancierd. Maar dat is voor de PS een sociaaleconomisch horrorverhaal.